Een van de meest legendarische Lowlands-momenten: het sinaasappelgevecht. Honderden festivalgangers zijn meer dan een uur met elkaar in gevecht geweest met sinaasappelschillen. Naar verluidt heeft de jongen van de verse jus met de handen in het haar gestaan toen zijn karretje omviel en de sinaasappels over de grond rolden. Ik probeer me altijd het gezicht van die jongen voor te stellen. Ik was er niet bij, dus het kan ook zomaar een mythe zijn, maar het is hoe dan ook een verhaal dat tot de verbeelding spreekt. Minstens zo veel als de legendarische optredens van pak hem beet Arcade Fire en Underworld hoort dit soort verhalen bij de identiteit van het festival.
Ik heb wel ooit een klein, vergelijkbaar incident meegemaakt. Wel een stuk minder romantisch: een medewerker van het festival moest een stukje over het terrein met een emmer muntjes, maar struikelde. Honderden muntjes vielen op het gras. Wat je dan ziet, is ontluisterend. Als een troep leeuwen die zonder medelijden de aanval inzet op een gnoe-kalfje dat buiten de groep geraakt is, duikt men erop. De muntjes liggen daar, dus ze zijn publiek bezit.
De firma TopNotch, hiphoplabel, verkoopt sinds kort piratenshirts. Piratenpartij merchandise, noemde labelbaas Kees de Koning het op Twitter. Onder het motto: als zij onze spullen gratis weggeven, mogen wij hun spullen verkopen. Knipoog. Nog een verwijzing naar piraterij deze week, door DJ Shadow. Hij gaf twee tracks gratis weg op zijn website, en drukte zijn fans via zijn mailing op het hart: "Don't delay, because they're only available at no-cost for 24 hours. After that, it's back to our old-school, money-grubbing, art-in-exchange-for-commerce ways. Sound fair? GO GET 'EM!" Iets weggeven is natuurlijk vriendelijk, maar iets fysieks weggeven is nog veel sympathieker: de dj verstopte ook een aantal vinyl-singles met de twee tracks in platenzaken. "Het omgekeerde van winkeldiefstal", vertelt hij aan NME.
Oftewel: jongens, ik speel het spel mee, geef me er alsjeblieft iets voor terug. Betaal voor mijn muziek. DJ Shadow is er nogal mee bezig. Begin dit jaar hield hij een flinke tirade tegen muziekliefhebbers die vinden dat alles maar gratis moet zijn. "If $9.99 is too much to spend for one of my albums, so be it, your choice", schreef hij. "But if you’re holding your breath, waiting for me to boost my cool-quotient by giving my music away for free, it’s not going to happen. The fact is that I feel my music has value. You may disagree, and that’s fine. But I know how much energy I put into what I do, and how long it takes me to make something I’m satisfied with. Giving that away just feels wrong to me."
Daar moet je mee oppassen als artiest, want voor je het weet "doe je het alleen voor het geld". Metallica achtervolgde het jaren, en om die campagne met dichtgeplakte monden tien jaar geleden hebben we ook alleen maar gelachen. Een platenmaatschappij moet al helemaal op zijn tellen passen, want dat zijn in de ogen van veel mensen sowieso geldwolven, overbodige prijsopdrijvers. Zo'n ludieke actie als die van TopNotch moet natuurlijk kunnen. Zeker ook omdat het label voorbeeldig zijn best doet om met zijn tijd mee te gaan. Alle releases van het label zijn beschikbaar in iTunes, in Spotify, alles mag bij 3VOOR12 op de Luisterpaal, en eens in de zoveel maanden verschijnt er een gratis Extravaganza mixtape met een bloemlezing uit de labelstal.
Ik kan me best voorstellen dat het frustrerend is voor artiesten en labels dat iedereen hun muziek gratis downloadt. Piraterij zorgt voor innovatie en stimuleert de creativiteit, zal Matt Mason vrijdag betogen op de Incubate Pirate Conference in Tilburg. Bovendien doorbreekt het monopolies die de consument in de weg zitten. Artiesten kunnen ook op andere manieren geld verdienen, zeggen voorstanders van piraterij. Ze kunnen hun album beschouwen als een promotiemiddel en hun inkomsten halen uit live spelen, T-shirts verkopen, sponsordeals sluiten. In een masteronderzoek dat gisteren ineens opdook wordt zelfs geconcludeerd dat artiesten in Noorwegen nu meer geld verdienen dan tien jaar geleden. Allemaal waar, en toch snap je het als een artiest op zijn minst een dubbel gevoel overhoudt aan de onvrijwillige vrije beschikbaarheid van zijn muziek.
Feit is - daar ben ik van overtuigd - dat piraterij niet meer weg gaat. De hardnekkige pogingen van bestrijders doen denken aan een spelletje van drie lange jongens die de bal van een klein jongetje overgooien. Waarom het niet meer weg gaat? Omdat er technisch zoveel mogelijk is dat het niet te stoppen is. Maar vooral: omdat het helemaal te gek is. Dat moeten de meeste artiesten/muziekprofessionals ook zien. Zij zijn toch ook muziekliefhebbers? DJ /rupture zag het. De dj uit New York is vrijdag ook te gast in het panel na afloop van Matt Mason's lezing. Rupture schreef in 2007 een ode aan Oink, een torrentcommunity die door politie en piraterijbestrijders uit de lucht gehaald werd. Defending The Pig, naar het schattige varkentje uit het logo.
Oink was inderdaad geweldig. Je kon er alles vinden wat je maar wilde, in gegarandeerd hoge kwaliteit. Die garantie ging zelfs zo ver dat het gratis te downloaden Radiohead-album In Rainbows, dat uit 160 kbps mp3's bestond, er vanaf gegooid werd wegens slecht geluid. Rupture zegt er dit over: "Oink had everything by certain artists. Literally, everything. I searched for ‘DJ Rupture’ and found every release I’d ever done, from an obscure 7″ on a Swedish label to 320kpbs rips of my first 12″, self-released back in 1999. It was shocking. And reassuring. The big labels want music to equal money, but as much as anything else, music is memory, as priceless and worthless as memory. About a week after I shipped out orders of the first live CD-r Andy Moor & I did, it appeared on Oink. Someone who had purchased it directly from me turned around and posted it online, for free. I wasn’t mad, I was just more stunned by the reach and usefulness of the site."
Ik ben een enorme fan van Spotify, maar zo compleet als OINK is het inderdaad tot op heden niet. Toch is die dienst niets anders dan een zo goed mogelijke kopie van die ultieme muziekbibliotheek. Precies, zal Matt Mason zeggen: de piraten moesten het voordoen. En daar heeft hij gelijk in. Piraterij: goed of slecht voor de muziek? Ik weet het nog steeds niet, en eigenlijk weet niemand het. Gaan muzikanten straks echt stoppen met het maken van muziek als ze minder albums verkopen? Ik kan het me niet voorstellen. Het downloaden van een album gelijkstellen aan het stelen ervan? Veel te kort-door-de-bocht. Maar is het onterecht dat muzikanten zich beklagen, al is het maar binnenskamers? Dat denk ik niet. Ik ben heel benieuwd hoe we over vijftig jaar op deze tijd terug kijken. Enfin, ik ga maar eens zo'n shirt kopen.
Een prijs weiger je niet. Dat doe je niet. Alleen arrogante schrijvers doen dat. Een prijs is erkenning, een mooi gebaar. Barack Obama vond vorig jaar dat hij hem niet verdiende, de Nobelprijs. Wel, hij weigerde niet echt, maar hij haalde hem ook niet op. Ik zou dat wel doen. Ik mopperde ook niet toen Time Magazine You, en dus een beetje mij, uitriep tot Person Of The Year. Ik snap best waarom jullie mij willen kronen. We hoeven het woord Iran maar te noemen, of de ogen van de internet-utopisten beginnen te twinkelen. Op het internet mag alles en kan alles, het vrije woord is er echt vrij, zelfs in een schurkenstaat.
Toch begon ik vandaag ineens te twijfelen, toen ik media de prijs door het slijk zag halen. "Nobelprijswinnaar Obama sluit wapendeal van $39 miljoen met Saoedi-Arabië", kopten de kranten. Dat staat natuurlijk niet al te sterk, en Obama zag het al aankomen toen hij de onderscheiding kreeg. Ik dacht eens bij mezelf na, en schrok van de lijken die bij mij nog in de kast zitten. Ik snap het wel, jullie oude grijze heren laten je influisteren door de liberalen in het Europees Parlement. Maar misschien is het goed als ik het jullie zelf dan maar vertel, om ellende achteraf te voorkomen. Hou je vast: de meeste mensen gebruiken mij helemaal niet om de vrede te bevorderen.
Het is charmant dat jullie me mijn donkere kant willen vergeven. De intentie is goed, is de gedachte. Openheid is de eerste stap op weg naar wereldvrede. Maar eerlijk gezegd kan het me weinig schelen. Oorlog of vrede, goed of slecht, ik heb er geen mening over. En als ik er al een mening over zou hebben, weet ik niet of hij jullie zou bevallen. Ik ben als de middeleeuwse vrijstad, waar criminelen en wanbetalers onder het juk van de wet konden komen. Niet bandeloos, maar met eigen regels, die wat opportunistischer zijn. Zoveel vrede als ik breng, zoveel ondermijn ik ook. Maar ik speel zelf geen rol, ik ben slechts middel. Mij de Nobelprijs geven is als bij een wedstrijd voor bakkers de slagroom bekronen. Het is als een Apache helikopter prijzen voor zijn moed en tomeloze inzet in Afghanistan. Ik besta niet, ik ben er alleen.
"De atoombom is het meest afschuwelijke wapen dat in de geschiedenis van de mensheid gemaakt is. Ten eerste zijn het afschuwelijke en dodelijke massavernietigingswapens, en ze voldoen aan geen enkel humanitair criterium. Ten tweede hebben de internationale betrekkingen geen bommen nodig. Geen enkel land heeft iets aan een atoombom."
Och, ik heb genoten van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad gisteren in Nieuwsuur (mooie binnenkomer!). Hij was vriendelijk, charmant, nog net niet grappig. Daar zit hij dan, in zijn paleis, midden in een zaal, tegenover een Nederlandse journalist. Achter hem de Iraanse vlag, op de achtergrond een schaal met verse bloemen en iets wat lijkt op een trap.
Die trap moet leiden naar duizend kamers. Of nee, vertrekken is het woord. Vertrekken met gouden kranen en hemelbedden, en een binnenplaats met kamelen die vruchten dragen die wij nog nooit gezien hebben. En tafels, eindeloos lange dinertafels, met een troon in het midden, waar Ahmadinejad als gastheer het woord kan voeren. Te midden van die pracht en praal is de Nederlandse interviewer vast met alle egards ontvangen door een jonge assistent met een snedig baardje. Een stevige hand en een vriendelijk hoofdknikje.
De gulle lach van de president, vrouwen moeten er bij bosjes voor vallen. Dit is hem nou, de schurk, antisemiet, Grote Leider van de As van het Kwaad. Een slechter mens dan hij bestaat op dit moment niet, wordt ons verteld. Geen gevaarlijker mens ook, want hij wil een atoombom. En daarmee wil hij niet alleen Israel en de Verenigde Staten vernietigen, maar ook ons, als we niet uitkijken. Want wij hebben Geert Wilders, de kwajongen die zijn stok in het wespennest Islam heeft gestoken.
Maar Ahmadinejad is geen kwaaie. Wilders, daar kan hij niet boos op worden. "De kwesties die hij ter sprake brengt zijn niet belangrijk", zegt hij vergevingsgezind. "Want in de loop van de geschiedenis zijn er al veel mensen geweest die de goddelijke openbaringen wilden vernietigen. Maar die zijn allemaal weer verdwenen. Wij hebben niet de intentie ons te mengen in de zaken van andere landen. Wie door het volk gekozen is, moet gerespecteerd worden. Maar wij denken dat iedereen zich moet houden aan de vrijheid van godsdienst en meningsuiting. Wij hopen dat politieke partijen in Nederland begrijpen dat je met zulk gedrag geen mooie toekomst op kunt bouwen."
Er kwam nog net geen vaderlijke knipoog achteraan. Ahmadinejad, strijder voor de vrijheid van meningsuiting, beschermheer van de democratie. Geen vraag was verboden, vertelde interviewer Jan Eikelboom in de studio (of er een antwoord zou volgen was stap twee). Zelfs het omstreden atoomprogramma was geen taboe. Als er een stille tocht voor het vrije woord gehouden zou worden, zou hij voorop lopen. Maar die raketwerpers dan? En die opgewonden taal over de vernietiging van Israel? Allemaal onzin, weerlegt de president kalm. "Iran heeft nog nooit een ander land aangevallen. Europese landen hebben hun troepen naar Afghanistan gestuurd. Daar moeten wij ons zorgen over maken. Ziet u Iraanse troepen bij de grens van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk?"
Ahmadinejad, aartsleugenaar? Meester in de retoriek van zijn vijand? Hij weet dat hij het kan maken. Die atoombom van Sadam Hoessein is immers nooit gevonden. Dat weet Ahmadinejad, en hij weet dat wij het ook weten.
Het begint met de spreekwoordelijke duim in de dijk, dan de hele hand, dan haar hele lichaam, maar de olie komt in dikke drab door de muur heen. Over haar blonde haar, over alles. Dat claustrofobische beeld is het begin van ODDSAC, de nieuwe film van Animal Collective. Vreemd inderdaad, en het wordt alleen nog maar vreemder. De Amerikaanse band maakte een album met beeld. Een film zonder plot, die niet zonder de muziek te begrijpen is.
ODDSAC is taai stukje Technicolor. Een psychedelische nachtmerrie, een caleidoscopische horrorfilm in slow motion. Het staat compleet haaks op Merriweather Post Pavilion, het succesvolle album dat anderhalf jaar geleden uitkwam. Het was een eigenzinnige maar warme plaat. Hoe anders en lastig te duiden ODDSAC ook is, er is een opvallende overeenkomst met Merriweather: de belangrijke rol voor familie en geborgenheid.
Zo'n beetje de helft van Merriweather Post Pavilion gaat over het familieleven en vriendschap. No More Running is een liedje over onthaasting, in Brother Sport steekt Panda Bear zijn broer een hart onder de riem, Bluish en My Girls zijn odes aan het gezinsleven. Uit het tintelend zoete Bluish: "I'm getting lost in your curls / I'm drawing pictures on your skin / So soft it twirls / I like your looks when you get mean."
Ook in ODDSAC treffen we een gezin - vader, moeder, zoon en dochter - bij een idyllisch familietafereel: marshmallows smelten boven een kampvuur. Het wrede einde wordt al aangekondigd door de onheilspellende muziek. In eerste instantie is het niet eens de vampier die ze aanvalt. Het gezin belandt in een soort Attack Of The Man-Eating Marshmallows, wat grappiger klinkt dan het is. De gloeiend hete suikerdraden vallen de ouders aan, alsof ze door een dodelijke bacterie van binnenuit opgegeten worden. Pas als vader en moeder eruit zien als hondsdolle gekken kan de vampier zijn slag slaan. Precies zo'n sinister spel wordt aan het eind van de film gespeeld met een gezellig vriendinnen-etentje, dat verstoord wordt door een demonische kok. Gordon Ramsay, maar dan nog duivelser, zei iemand op internet al.
Zelfde onderwerp, maar eerst werd het gekoesterd, nu aangevallen. Vreemd? Niet volgens regel 1 uit het horror handboek: verbeeld je grootste angst. In de jaren dertig was men bang voor negers, dus maakte Hollywood White Zombie. Zou nu natuurlijk volstrekt incorrect zijn, maar toen niet. In de jaren vijftig zat Amerika middenin de ruimtewedloop en heerste angst voor een atoomaanval. En dus zag je horrorfilms met aliens die de aarde wilden vernietigen met een nucleaire aanval.
Zombie meester George A. Romero verbeeldde in Night Of The Living Dead (1968) het wegvallen van de vaste waarde 'familie' door een groep mensen op te sluiten in een vervallen huis, belaagd door vleesetende doden. Onder de slachtoffers een broer en zus die net bij het graf van hun vader geweest zijn, en een gezinnetje met kinderen. De moeder van het gezin komt op een gruwelijke manier aan haar einde, als haar zombie dochter haar met een tuinschepje dood steekt.
Animal Collective - of in elk geval regisseur Danny Perez - kent zijn klassiekers. Ze moeten die film gezien hebben. Zeker geïnspireerd zijn ze door horror klassieker The Texas Chainsaw Massacre. Niet alleen qua beeld, maar ook de soundtrack, vertelden ze in een interview. En de sterfscène van de vampier bij de opkomende zon - met flink wat bussen latex en een rookmachine - zou in geen enkele goedkope slasherfilm misstaan. Zo kennen we Animal Collective weer. Wie dacht dat ze het succes vast zouden grijpen en op de ingeslagen weg verder zouden gaan, mist de kern van de band. Benieuwd naar de volgende stap.
ODDSAC wordt 18 en 19 september vertoond op het Incubate Festival in Tilburg.
Er zijn mensen die vinden dat de Publieke Omroep geen entertainment uit moet zenden. Quizjes en spelshows, dat moeten ze maar bij de commerciëlen doen, van het belastinggeld moeten we voor de inhoud gaan. Nou, daar denken de Hilversumse programmamakers zelf heel anders over, zo bleek uit een weekje TV Lab. Het zijn vreemde tijden op het Media Park. Maandag beginnen twee nieuwe omroepen, en op korte termijn zou het mes wel eens flink in de omroepen gezet kunnen worden. Dat TV Lab is dus een mooi moment om eens te kijken hoe Hilversum zelf de toekomst voor zich ziet.
Zoals gezegd: vrijwel alles is entertainment tijdens een week testprogramma's. Seks is entertainment, nieuws is entertainment, zelfs politiek is entertainment. We zagen een vermakelijke maar platte Spuiten En Slikken talkshow voor 40 plussers (Ze Is Van Mij, VPRO), een minisoap met jongeren die op hun webcam naar elkaar en naar hete chicks kijken (Oh My God, BNN), een heel programma vol met Man Bijt Hond Babbelbox (Out Of The Blue, AVRO). En we zien entertainmentshows die flirten met verantwoorde onderwerpen. In 10 Ways To Turn You On gaat BNN zogenaamd een wetenschappelijk experiment aan: jongens krijgen een zendertje aan hun piemel, waarna meisjes gaan proberen ze te verleiden. Een professor zegt er vervolgens verstandige dingen over. Paul de Leeuw stort zich op de actualiteit in een programma dat nog stuurlozer en chaotischer is dan zijn laatste programma (Madiwodovrijshow, VARA/BNN)
Echte inhoud scoort kennelijk niet genoeg, het moet verpakt worden in iets geks. Het TROS-programma Open En Bloot bijvoorbeeld snijdt een interessant fenomeen aan: privacy op internet. Kandidaten krijgen een lijstje geheimen van hun tegenstrevers en moeten met internet als startpunt zien te achterhalen welk geheim bij wie hoort. Interessant, maar in de uitvoering weer zo'n truttige spelshow met geile geheimen als 'wie zat een week in de bak' en 'wie heeft seks gehad op Ground Zero?'
Vooruit, tot daar aan toe, dat is gewoon niet mijn smaak. Dan kijk je er niet naar. Maar aan twee programma's heb ik me echt gestoord. Om te beginnen Ja Ik Wil… Rutte. BNN heeft zich de afgelopen jaren vaak gemanifesteerd als de omroep die de kloof tussen politiek en jongeren wilde verkleinen. Normaal gesproken moet je als politicus weten hoeveel werklozen er in Nederland zijn, bij BNN scoor je stemmen als je weet hoeveel een gram coke kost. In TV Lab gooit Sophie Hilbrand alle goede smaak over boord. Het is een clichématige datingshow met zeven vrouwen en een man die graag first lady willen worden. Alles om jongeren meer bij de politiek te betrekken.
Het idee is al schaamteloos, van de uitvoering word je ronduit verdrietig. Om te beginnen het uitgangspunt: een premier moet kennelijk een partner hebben. Waarom? Omdat hij dan 's avonds als hij thuis komt zijn verhaal kwijt kan, luidt het deskundige verhaal. De betutteling. Rutte zelf zit natuurlijk helemaal niet op zo'n plat programma te wachten. De kandidaten moeten laten zien hoe goed ze overhemden kunnen strijken en tafels kunnen dekken, hoe goed ze de roddelpers af kunnen poeieren, en tot slot een dansje doen voor de koninklijke familie. Het is allemaal van zo'n laag niveau, en zo op het beledigende af gebaseerd op archaische man-vrouw stereotiepen, dat je je ogen onmogelijk kunt geloven als de winnares aan het slot omringd wordt door haar dolenthousiaste familie. Wat denken die mensen? Dat hun dochter nu daadwerkelijk met Mark Rutte mag trouwen? Allemaal show, zeg je? Denkt BNN nou echt dat de kijker hier in gelooft? De Grote Donor Show was kunst, dit is wansmaak in de meest zuivere vorm.
Dan Guido Weijers, succesvol cabaretier, tv-personality, iemand die prima gedijt bij SBS6. Waarom wil de KRO hem zo graag hebben? Willen ze een rechts tegenwicht bieden aan overvloed aan linkse terreur van Freek de Jonge? Zou kunnen, lijkt me geen slechte zaak. Maar Guido Weijers vertolkt geen rechtse humor, hij is een eenvoudige moppentapper. Zijn grappen zijn lukraak, er zit geen lijn of visie in. Eigenlijk onderscheidt maar een ding hem van moppenkonijn Ab Normaal: in plaats van over seks, grapt hij over nieuws en politiek. In De Week Van Weijers spreekt hij een half uur de week door. Weijers doet zich maatschappelijk betrokken voor, maar in de eerste aflevering blijkt meteen dat hij er eigenlijk helemaal geen kaas van gegeten heeft.
Eerst moeten we al een spervuur van grappen over de mijnramp in Chili ("als je 'mijn' en 'Chili' googelt krijg je recepten") en de woningnood onder studenten (50 studenten in een kamertje gepropt) doorstaan, en dan waagt Weijers zich aan de formatie. Een paar sneren richting CDA en dan komt hij met deze kort-door-de-bocht stelling: "Na drie weken onderhandelen alsnog de stem van anderhalf miljoen PVV-stemmers uitsluiten is hypocriet en ronduit ondemocratisch".
Het ferme statement kan op een gul applaus rekenen in de studio, maar het slaat natuurlijk nergens op. Hoe bedoel je, ondemocratisch? Is het soms grondwettelijk vastgelegd dat partijen die meer dan 20 zetels hebben moeten regeren? Natuurlijk niet. En van wie is het dan hypocriet? Van het CDA? Dat maakt een afweging voor zijn eigen achterban, niet voor die van Wilders. Het is een vaker gehoorde misvatting. Een gevaarlijke misvatting, omdat het dit soort lege statements zijn die mensen de volgende dag aan elkaar navertellen.
Lekker stout, lekker ordinair, lekker prikkelend, ik ben er een beetje klaar mee. Nee, ik ben niet zuur, ik ben teleurgesteld. Ik had oprecht verwacht, gehoopt, iets moois, iets nieuws, maar vooral iets intelligents te zien. Als ik iets ordinairs wil zien, dan kijk ik wel naar Oh Oh Cherso.
Bekentenis: Appie Baantjer was mijn poort tot de literatuur. Ik haatte lezen. Maar echt. Plaatjesboeken, vooruit, maar letters, nee. Tot ik tijdens onze vakantie op Terschelling - ik moet 13 geweest zijn - ineens de hele bibliotheek van Midsland leeg las. Op een toeristenpasje, drie stuks per dag. Er zijn twee zekerheden in elke bibliotheek: het alfabet begint met Bertus Aafjes en er is altijd minimaal een boek van Baantjer aanwezig. De Cock En Een Duivels Complot. De Cock En De Dansende Dood. De Cock En De Dode Tempeliers. De Cock en Moord Op Bestelling. Wie had gedacht dat ik ooit nog eens Nederlands zou studeren.
En nu is hij dood. Hoe zal Appie Baantjer herinnerd worden? Niet als groot schrijver, maar als veelschrijver. Zeventig boekjes over een Amsterdamse rechercheur kalkte hij vol in 45 jaar. Dat is ruim anderhalf boek per jaar. In grote stapels lagen ze elke keer weer bij de Bruna's. Appie Baantjer was de AC/DC van de misdaadliteratuur. Hij schreef zeventig keer hetzelfde boek, andere dader, ander wapen. Altijd hetzelfde - haast tot op de bladzijde nauwkeurig - altijd klaar in 150 pagina's. En toch wist je nooit voor het einde wie het gedaan had.
Een ode aan de gigant A.J. Baantjer, De Cock lost een moord op in 400 woorden.
Het was een zwoele midzomeravond in Amsterdam. Rechercheur De Cock (met ceeooceekaa) knipoogde naar een slanke dame achter het raam en meldde zich bij een smoezelig pand aan de Oudezijds Achterburgwal. "Hij is dood", constateerde Dr Den Koninghe laconiek. "Zoek naar vingertjes", beval De Cock, terwijl hij het moordwapen observeerde: een mes in de vorm van een kruis.
Een half uur later wierp De Cock zijn hoed naar de kapstok op het aloude politiebureau aan de Warmoesstraat - mis - alvorens hij werd binnen geroepen door commissaris Buitendam. "Eruit", riep Buitendam, waarop De Cock de jonge rechercheur Vledder wenkte. Samen stapten ze in hun Volkswagen Golf, op weg naar de zus van het slachtoffer, Gabriella de Lavaterne, een keurige dame in Naarden die penningmeester van een bridgevereniging bleek, gebrouilleerd met haar overleden broer en ziekelijk jaloers op haar andere broer. Gabriella huilde. Een traan gleed traag over haar wang en drupte op het tasje op haar schoot.
"Waar ga je heen", vroeg Vledder. "Naar die andere broer", zei De Cock. Maar de broer was al dood, geveld door een mes in de vorm van een kruis. "Hij is dood", constateerde Dr Den Koninghe laconiek. Die twee broers bleken deel uit te maken van het geheime genootschap van Broeders van het Perverse Kruis, een quasi-religieuze sekscultus. Ook de ex van de zus - een loensende vijftiger, bleek deel uit te maken van het genootschap. Die bleek een alibi te hebben, net als de beste vriend van de broer en de Joodse butler van Gabriella, die in de oorlog nog ondergedoken zat bij een Brabantse pater. De jonge rechercheur raadpleegde zijn notities.
"Weten jullie nou al wat", vroeg commissaris Buitendam. "Nee", zei De Cock. "Eruit", brulde Buitendam. En De Cock ging. De Cock en Vledder wisten het echt niet meer en gingen een borrel drinken in etablissement van Lowietje, die voor De Cock altijd een speciale fles cognac onder de toog heeft staan. "Ieder huis heeft zijn kruis", zei Lowietje. "We gaan", zei De Cock, terwijl Vledder hem niet-begrijpend aankeek. In het huis van de broer troffen ze Gabriella in rooms-katholieke stola, met daaronder niets dan lederen lingerie. In haar hand een kruisvormig mes, lijnrecht tegenover de geknevelde voorzitter van de bridgeclub.
Tijdens een etentje in huize De Cock legde hij eindelijk uit hoe hij het nou door had. Mevrouw De Cock schudde verbijsterd haar hoofd. "Dat kan toch niet waar zijn?"
"Wij bieden een tv-avond aan: een aanschakeling van programma's en reclameblokken. Dat is ons product, en niet één programma." Aldus Peter Quaghebeur van de Vlaamse tv-zender VMMa (vtm en 2BE) in dagblad De Morgen. Samen met een aantal collega's stuurde de tv-baas een brandbrief aan digitale tv-providers Telenet en Belgacom. Het probleem: kijkers mogen gratis programma's opnemen, kunnen zo gemakkelijker reclameblokken skippen en hebben ook minder behoefte aan de betaalde opvraagdiensten Net Gemist, iWatch en C-More.
Het is natuurlijk problematisch als je business model onder druk komt te staan, dat snap ik wel. Door de versplintering van het mediagebruik is het al lastig zat om veel mensen op het juiste moment in te laten schakelen. Dat de tv-bonzen moeite hebben met het veranderde landschap is logisch, maar zeggen dat je product een avond vol programma's is, is net zo kortzichtig als een band die beweert dat zijn album van begin tot eind beluisterd moet worden, en dus niet als losse tracks verkocht mag worden. Het is net als zeggen dat een samenvatting geen recht doet aan een voetbalwedstrijd.
Als dat je product is - eerst een quiz, dan een soap, dan een actualiteitenrubiek, tot slot een talkshow - en je ook nog denkt dat mensen er serieus een avondje voor gaan zitten, dan kan er maar een conclusie getrokken worden: er deugt niets van je business model. Je werkt in een andere tijd, je staat zonnebrillen te verkopen in de winter. Mensen willen niet aan de hand genomen worden, ze willen kiezen, zappen, klikken.
Een van de beste voorbeelden tot nu toe vond ik de WK2010 site van de NOS. Je kon er de wedstrijden in zijn geheel terug kijken, in samenvatting, maar ook losse goals en bijzondere momenten. De sfeerreportages van NOS-verslaggevers waren niet alleen on demand te zien in de uitzending van Jack van Gelder, maar ook als losse items, net als de leuke fragmenten van Maradona's persconferentie en de klassieker van de twee Algerijnen met de vuvuzela's. Dat willen we, en het liefst op onze mobiel. Het moet kapitalen gekost hebben om die site te bouwen, bij te houden en te hosten, maar het is wel waar het heen gaat. En als we zien dat het kan, dan willen we het zeker.
De vraag is natuurlijk of met zo'n model geld te verdienen valt. Misschien niet. Er zit maar een ding op: gebruik je creativiteit en probeer het. Tot slot: ik had graag het hele artikel willen lezen. Het zou kunnen dat de uitspraken verderop genuanceerd werden, maar op de website van De Morgen stond alleen het begin. Met genoeg sappige quotes, die nieuwsgierig maakten naar het vervolg. Voor dat vervolg had ik graag een euro over gehad, maar dat kon helaas niet. De papieren krant hebben ze hier in Utrecht niet zomaar overal voorhanden. Op het Centraal Station misschien, maar dan nog: het regent. Maar misschien ben ik nu te veeleisend?
The Futureheads? Na twee albums gedropt door hun label en daar nooit meer echt bovenop gekomen. Kaiser Chiefs? Dachten ten onrechte wel even drie albums in twee jaar te kunnen maken en zagen hun momentum verdwijnen als sneeuw voor de zon. The Fratellis? Is die tweede plaat echt uitgekomen? Bloc Party? Vergeten waar ze ook alweer goed in waren. The View? Hype gesmoord in een zakje coke.
Het gaat hard met de helden van de Britpop uit de jaren nul. Vijf jaar na Franz Ferdinand kunnen we al voorzichtig de balans opmaken. Jazeker, het is alweer vijf jaar geleden dat die vier art school types uit Glasgow de Britse popmuziek op hun kop zetten. Zij en The Libertines, die de naald-in-de-arm-variant vertegenwoordigden. Die twee waren dominant en maakten van het nieuwe decennium een tijd vol directe popsongs, soms rammelend, soms hoekig, vaak anti-pretentieus, in beide gevallen voornamelijk up tempo.
Het Amerikaanse indie-geweten Pitchfork moet van de meeste van die bands niets weten. Te eenvoudig, te weinig vernieuwend, en kom op, hoe kun je English lads überhaupt serieus nemen? Zonder alle muzikanten van Engeland eenvoudig over een kam te scheren: dat beeld klopt wel een beetje. Maar voor wie niet al te hoogdravende eisen aan de muziek stelt, waren de noughties in Engeland een uitstekende tijd. De stage divers bij Bromheads Jacket, de slipjes gooiende meisjes bij de Pigeon Detectives en The Kooks, de hoge hakken van The Long Blondes (die overigens helemaal niet blond zijn).
Ik had een stiekeme zwak voor The Enemy, een van de meest kansloze bands van de laatste tien jaar. Ik trof ze ooit op London Calling, Tom, Andy en Liam, drie jonge pikkies bij hun eerste optreden buiten Engeland. Twee maanden eerder verkochten ze nog televisies in een grauwe winkel in Coventry. Ze vonden alle fietsen in Amsterdam geweldig, maar vooral de meisjes met rokjes erop. Voor het optreden dronken ze niet, erna wel, met de fans. Dat was een regel, en ze hielden zich eraan. Een van die fans, met lang bruin, golvend haar, mocht aan het eind van de avond met de bassist mee naar de catacomben van Paradiso. Ik kreeg een zie-je-wel knipoog.
Muzikaal lieten ze zich voornamelijk inspireren door Kasabian: met de borst naar voren, versterker vol open ("waarom zou je hem zachter zetten dan hij kan?"), galm op de drums, spelen. De belangrijkste drijfveer om een band te beginnen: verveling. Hun album We'll Live And Die In These Towns was op een paar sterke songs na een nogal gemiddelde aangelegenheid, maar het kwam gewoon op nummer 1 binnen in de Britse charts. Op de hoes het gesloten rolluik van die vervloekte witgoedzaak. Ze hebben nog eens op Lowlands gespeeld - om half twaalf 's ochtends - en nog in de Melkweg, als ik het me goed herinner. Er is zelfs nog een tweede plaat uitgekomen, maar daar besteedde niemand aandacht meer aan. Het zou goed kunnen dat ze inmiddels gewoon weer in de winkel staan.
Zo zal het de meeste wel vergaan. Zo vergaat het immers de meeste bands in de hele popgeschiedenis. Natuurlijk zal er wel wat blijven hangen van die jaren van overvloed, al zie ik niet veel bands echt een oeuvre opbouwen. Ik zet mijn geld op Alex Turner en zet tegelijk 79 gitaarpopliedjes in een playlist die wat mij betreft de geschiedenisboeken in mogen.
Gouden regel: de wave zet je alleen in na 80 minuten, bij een voorsprong van minimaal twee doelpunten. Het carnavalspubliek dat je aantreft bij kwalificatiewedstrijden van Oranje weet dat niet, maar dat zijn dezelfde mensen die een rondvaart door de grachten willen na een verloren finale. Je moet zuinig zijn op de wave. Het is de ultieme vernedering, dat je je bezig kunt houden met iets nutteloos als dat, terwijl de wedstrijd nog bezig is.
Precies zo moet je zuinig moet zijn op mijn favoriete FC Utrecht lied: Welkom In De Hel. Een lied met in feite maar 1 zin, die hetzelfde is als de titel. En dan natuurlijk een refrein, een eenvoudig maar vinnig tutudutudutudutuduu. Je zet het in op de top van zelfverzekerdheid, als het bij de tegenstander pijn begint doet. Het kan raar lopen in Galgenwaard, ondervond het Schotse Celtic donderdag. En daar had niemand meer op gerekend. Utrecht was niet kansloos tegen Celtic, dacht ik, maar dan was op zijn minst een gelijkspel nodig in Glasgow. Geen 2-0 nederlaag. Maar deze week kon tegen alle verwachtingen toch Welkom In De Hel aangeheven worden. Uit volle borst nog wel.
Als echte Utrechter weet ik dat euforie zinloos is - volgende week kun je immers gewoon weer van Willem II verliezen, of nog erger: van Vitesse. Maar deze weken valt ineens alles op zijn plek. Er gloeit iets in Utrecht. De klungelige spits van vorig jaar, die elke week weer na een uur met het hoofd naar beneden van het veld sjokte, schiet ze ineens uit alle hoeken binnen. De kleine Belg die er zijn handelsmerk van maakt om tussen twee verdedigers door te glippen. De Deense buffelaar op het middenveld, met naast hem een Canadees bijtertje en de Afrikaanse stille kracht van het elftal.
Moment van de wedstrijd en typisch voor het Utrecht van nu: Nana Asare die links op het middenveld zijn man uitspeelt met een wippertje en vervolgens het hele veld over dribbelt, de basis voor de 3-0. Dribbelaars in Galgenwaard, dat hebben we sinds Dirk Kuijt niet meer gezien. Vooruit, Dave van den Bergh misschien, maar nu ineens staat het elftal vol met spelers die niet alleen hun tegenstander durven te passeren, maar het ook kunnen.
Zo vaak werd de afgelopen jaren dat ene lied niet aangeheven. Na de gouden jaren onder Frans Adelaar en Foeke Booy, met drie bekerfinales op rij en - minstens zo belangrijk - vijf keer winst op Ajax, werd het allemaal wat minder. Ik heb steeds zonder twijfel mijn seizoenskaart verlengd, maar als je eerlijk bent was het de laatste jaren soms niet om aan te zien. Grote man Willem van Hanegem bleek een totale mis-match en het eerste jaar van Ton Du Chatinier leek Utrecht de nul houden belangrijker te vinden dan scoren.
Vooruit, Celtic is het Feyenoord van Schotland. Hun tegenstand in Utrecht was schrikbarend. Maar winnen van Celtic, met 4-0 en met zo veel overtuiging, dat is een prestatie om trots op te zijn. Zolang als het duurt, even de citaten uit de Schotse pers. The Scottish Sun: "Ricky van Wolfswinkel's terrifying treble floored Celts on one of their worst-ever Euro horror nights." Nog mooier The Scotsman: "Shell-shocked and embarrassed, Neil Lennon had no choice but to take full responsibility for Celtic's worst result in Europe in five years, an epic collapse to a Utrecht side that hardly had to work all that hard for their goals." Het spookt weer in de Galgenwaard.
"Een luxeprobleem is niet minder erg dan elk ander probleem." Een mooie uitspraak, maar volgens mij niet waar. Hij komt voorbij in Alles Wat We Wilden, een documentaire van vijftig minuten die de VPRO deze week uitzond. Filmmaker Sarah Mathilde Domogala volgt een paar jonge, ambitieuze mensen, voornamelijk in de creatieve sector, die zo hard werken om hun doel te bereiken dat ze vroeg of laat midden in de nacht met overslaand hart en badend in het zweet wakker worden. Overweldigd door de oneindige mogelijkheden van deze tijd en teleurgesteld in hun eigen onkunde.
Juist daarover gaat Alles Wat We Wilden. Niet over het succes, maar over het feit dat het vrijwel onmogelijk is om zo mooi, jong, wild en succesvol te zijn als die mensen op het eerste gezicht lijken. Die uitzending heeft nogal wat los gemaakt onder mijn mooie, jonge, wilde en succesvolle vrienden. Ik vond het een interessante docu, mooi geschoten, maar tegelijkertijd ook een lange zit. A omdat ik na tien minuten het punt wel begrepen had, en B omdat het op een gegeven moment toch een beetje zeikerig werd. Luxeproblemen zijn niet hetzelfde als ieder ander probleem, net zoals een lekke band een totaal ander probleem is dan een hersentumor. Dit soort luxeprobleem bestaat alleen in je hoofd.
Vooropgesteld: op die ene uitspraak na is alles wat in die documentaire gezegd wordt waar. Ik geloof wat die mensen zeggen, ook al vind ik sommige dingen maar aanstellerij. Ondanks dat weet ik dat het waar is, want mijn twitter-timeline ziet precies zo uit. Al die mensen die aan de lopende band inspirerende dingen doen, briljante grappen bedenken over eenvoudige dingen als voetbal of muziek, tot diep in de nacht feesten. En de volgende ochtend komen de foto's van alles waar je niet bij was. En de 200 mailtjes die om antwoord roepen. En vooruit, ik geef toe, ook ik heb wel eens met een hoofd vol ideeën wakker gelegen.
Sommige mensen herkennen zichzelf in die documentaire, anderen hun vrienden. Ik moest vooral denken aan een oude huisgenoot van me, uit mijn studentenhuis. Hij heette Eric, was 33 en studeerde farmacie. Dat deed hij omdat hij daarmee statistisch gezien de beste kans op een boven modaal salaris had. Van die beslissing had hij al wel een beetje spijt, omdat het er sterk op leek dat de inkomsten van apothekers gekort werden, omdat ze niet meer zomaar door vertegenwoordigers ingepakt mochten worden met allerlei kortingen. Of zoiets.
Eric leidde een regelmatig leven. Hij zette eens in de twee dagen koffie, waarvan hij het restant de volgende dag opwarmde in de waterkoker. Groente at hij alleen in de vorm van dampende loempia's, waarvoor ik hem mijn frituurpan leende. Ik stond in huis bekend als de Frituurkoning, maar hij kon er ook wat van. Eric kookte zelden voor anderen, al at hij soms wel met ons mee. Als hij zichzelf wilde verwennen, trok hij een biertje open en dan keek hij naar Duitse tv-zenders, tot diep in de nacht. Wij konden in ons studentenhuis Duitse zenders alleen ontvangen met dikke strepen er doorheen, maar dan nog keek hij daar liever naar dan naar Nederlandse programma's. Eens in de zoveel tijd verdween hij een paar dagen. Gewoon zomaar.
Het stelde niet zo veel voor, zo leek het. Al had ik er altijd wel een vreemd gevoel bij vanaf het moment dat hij vertelde dat hij vijf jaar lang niet verder dan zijn brievenbus gereisd had. Dat was er de oorzaak van dat hij nu pas met zijn studie bezig was, en ook de reden dat hij geen enkele ambitie toonde voor wat dan ook. Hij probeerde simpelweg de factoren onzekerheid en teleurstelling tot het minimum te beperken.
Ik ben ooit met hem naar Tivoli geweest, naar The White Stripes, die toen nog nieuw, hip en spannend waren. Als er dan al Twitter had bestaan, had ik er beslist over getwitterd. Na afloop legde hij het me op het bruggetje voor Tivoli uit. "We leven in een tijd van onbegrensde mogelijkheden", zei hij. "Iedereen kan studeren, iedereen kan een leuke baan krijgen. En elke kans die je niet pakt, is een door jezelf weggegooide kans. Dan ben je ondankbaar of lui. Ik heb besloten aan dat spel niet mee te doen. Je bent heus niet alleen gelukkig als er altijd een fles Moët in je koelkast ligt."
Ik ja? Zomergast? Nou, je overvalt me een beetje. Ja, ik zie wel vaker mensen waarvan ik denk: nou, zo bekend is die nu ook weer niet toch? En net als iedereen heb ik ook wel eens bedacht wat dan mijn fragmenten zouden zijn. Iets meer rock 'n roll dan Paulien Cornelisse, dat zeker. Nou ja, ik zal er eens over nadenken. Wanneer moet je het weten?
1. Heavy Metal Parking Lot Een documentaire maken hoeft niet ingewikkeld te zijn. Filmmakers Jeff Krulik and John Heyn bezochten in 1986 een concert van heavy metal leatherguys Judas Priest in Landover, Maryland. Ze kwamen niet verder dan de parkeerplaats en stelden daar aan de fans een eenvoudige vraag: waarom is Judas Priest nou zo goed?
2. Barbarella Eeuwig zonde dat Jane Fonda tegenwoordig in de hemeltergende anti-rimpel-creme-reclame van L'Oreal zit. Vroeger, vroeger was Jane van buitenaardse schoonheid, wat haar de ideale actrice maakte voor de curieuze sensuele science fiction superhelden film Barbarella. Sommige mensen zeggen zelfs soft-erotisch, en daar is ongetwijfeld deze scène debet aan. Barbarella en The Excessive Machine.
3. That Final Day De meest ontroerende sportdocumentaire die ik ooit heb gezien werd gemaakt door onze eigen Tom Egbers. That Final Day gaat over twee clubs in de laagste Britse profleague: Swansea City en Exeter City. Een van de twee zal op de laatste speeldag degraderen en door het leven moeten als amateurclub. De documentaire volgt de supporters in de week voorafgaand aan die laatste wedstrijd en stelt ondertussen elk verloren hoekje van de club voor. Met als hoogtepunt Cyril the Swan, mascotte van Swansea City.
4. Rembo & Rembo Rembo & Rembo maakten al YouTube filmpjes voor YouTube bestond. Jazeker, ze waren hun tijd ver vooruit, want de korte filmpjes zoals die zij maakten krijgen we nu elke week in de mail of over de Twitter, van over de hele wereld. Wat Rembo & Rembo maakten kan iedereen. Voor een scène met een schildpad heb je namelijk niet meer dan een camera, een groene legging en een babybadje nodig. Goud. Hullepie!
5. Modern Times Ja, natuurlijk dacht ik ook dat Charlie Chaplin net zo stom was als de Dikke en de Dunne. Beetje met ladders rennen en taarten in elkaars gezicht drukken. Maar Chaplin kon veel meer dan dat. Met de jaren werden zijn films steeds langer. Van 8 minuten naar 20, naar 60 en uiteindelijk feature length. Zijn mooiste is wat mij betreft Modern Times uit 1936, waarin het beroemde zwervertje werk zoekt in een fabriek. De industriele revolutie met een bolhoed en een staf. Let wel: in 1936 werden er allang gesproken films gemaakt, maar Chaplin realiseerde zich maar al te goed dat een pratende Tramp kon alleen maar tegenvallen.
6. The Crippled Masters Vriend Wim Vis gaf me ooit het mooiste verjaardagscadeau dat ik me kon bedenken: een ex rental videoband van The Crippled Masters. Ik heb weinig met kung-fu (altijd hetzelfde), maar deze curiositeit uit 1979 ligt me na aan het hart. Twee vechters die door dezelfde evil master verminkt worden. De een heeft geen benen, de ander geen armen, samen - ik citeer de Vlaamse wansmaakgoeroe Max Rockatansky - vormen zij een onoverwinnelijke vechtmachine.
7. Ichi The Killer Creatief met de Japanse keuken: regisseur Takashi Miike houdt niet in bij deze bloeddorstige gangsterfilm. Ik kan me geen gewelddadiger martelscene herinneren dan die waarin de genadeloze Kakihara een rivaliserend bendelid aan een stel vleeshaken behandelt als verse tempura. De man blijkt even later onschuldig, waarop Kakihara voor straf een stuk van zijn eigen tong afsnijdt. En dan is die hele Ichi waar de film zijn naam aan te danken heeft nog iets eens genoemd.
8. Foxy Brown Na vrouwengevangenisfilms is Blaxploitation toch wel mijn favoriete filmgenre. Actrice Pam Grier was de koningin van beide genres. In Coffy (een jaar voor Foxy Brown) heeft ze een afro zo groot dat er een pistool in past. Maar Foxy Brown heeft dan weer een van de coolste openingsscenes ooit. Een James Bond-achtige animatie met geweldige muziek van Willie Hutch.
9. De Grote Gerard Reve Show Literatuur op zondagochtend? Welnee, gewoon op vrijdagavond, recht tegenover Popstars en Holland's Got Talent. De grote geile Gerard Reve flikte het in 1974 één keer om een avondvullende tv-show te maken rond zijn persoon. Een zeldzaam geestige parodie op tv, met slechte moppen, een showmaster trap, bizarre items en een onschuldig voorleesverhaal voor de kinderen. Hier te zien.
10. Lee Perry at the Black Ark Over Lee "Scratch" Perry's Black Ark studio op Jamaica worden mythische verhalen verteld. Het was het heilige der heilige van de dub, een spirituele plek waar onwaarschijnlijke muziek uit kwam, totdat Scratch in een vlaag van waanzin de tent in lichterlaaie zette. De beelden zijn nog indrukwekkender dan wat je je er al bij voorstelde. In deze memorabele documentaire legt Lee Perry BBC-goeroe Jools Holland uit hoe de studio werkt, en waarom er een broodrooster op zijn hek gebonden zit.
Voor wie het gemist heeft: het was een grimmige dag op Twitter. Alles behalve een gezapig zondagmiddagje. Inzet: een nieuwsbericht op GeenStijl over een schietpartij in Amsterdam, waarbij rappers Flex (THC, broer van RB DJan) en Mr Probz ernstig gewond raakten. GeenStijl doet verslag zoals ze dat vaak doen: lekker spelen met straattaal en gangstercliches. Respectloos, vindt de hiphopwereld, racistisch zelfs. Satire, vindt GeenStijl zelf. Zie hieronder de discussie die vanmiddag ontstond tussen met name TopNotch/Universal labelbaas Kees de Koning en GeenStijl'ers Brusselmans en Johnny Quid, en die mede door wat mensen die ook hun zegje wilden doen op zijn zachtst gezegd niet altijd chique verliep. Interessant was het wel. Zeg het maar.
(Voor de leesbaarheid is de chronologische volgorde van de tweets iets aangepast).
In april 1964 stonden The Beatles met maar liefst vijf singles in de top vijf van de Billboard Hot 100. Can’t Buy Me Love, Twist And Shout, She Loves You, I Want To Hold Your Hand en Please Please Me. De British invasion in de Amerikaanse popmuziek was een feit. In hun kielzog kwamen niet alleen The Rolling Stones, The Who en The Kinks, maar ook acts die een stuk meer stof hebben vergaard in de collectieve platenkast. Herman’s Hermits, Chad & Jeremy, The Honeycombs, The Searchers. Ook zonder The Beatles (het waarom is bekend) kun je op Spotify een overvolle British Invasion playlist maken. British Invastion without the Beatles, 33 Britse hits uit de sixties.
Alle verhalen over The Beatles kennen we zo langzamerhand wel. De over die andere kolossen ook, maar over elk van die hitgroepen is natuurlijk iets te vertellen. Neem bijvoorbeeld Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Tich, een band met een onmogelijke naam uit Salisbury, Wiltshire, onder de rook van Stonehenge. Eigenlijk horen ze niet in een lijst British Invasion, want als enige scoorden ze nooit een hit in Amerika. Wel in Nederland, en vooral in Duitsland, waar Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Tich op een gegeven moment hoger in de populariteitspolls stonden dan The Beatles. Ook DDDBMT speelde in Hamburg, in de Star Club en de Top Ten Club.
Maar het meest tot de verbeelding sprekende rock ‘n roll verhaal beleeft Dave Dee als 18-jarige politiekadet in Wiltshire, in de nacht van 16 op 17 april 1960. Als een van de eersten meldde hij zich na een alarmmelding over een ongeluk in het plaatsje Chippenham. De straatlantaarns waren al uit, even na twaalven. Hij trof er, zo vertelt de overlevering, een om een lantaarnpaal gevouwen auto, uit de wagen geslingerde mensen en een opengeklapte kofferbak met foto’s en gitaren. Op de foto’s de knappe koppen van Gene Vincent en Eddie Cochran, Amerikaanse rock ‘n roll sterren op strooptocht door het gretige Groot Brittannië. Vijftien weken tourden ze door het land, de laatste show in Bristol. Vincent hield aan de crash alleen een blijvende manke poot over, maar met zijn 21 jaar schaarde Cochran zich onder de vroeg gestorven rockhelden. De mooiste voetnoot van het verhaal, later in interviews nog bevestigd: agent Dave Dee nam de gitaar van Eddie Cochran, een Gretsch 6120, mee naar het bureau, waar hij er in de dagen na het ongeluk op speelde.
Het kan geen toeval zijn dat Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Tich bijna vijftig jaar later belandden onder een van de meest verrassende car crash scenes uit de Amerikaanse filmhistorie. Dat soort toeval bestaat namelijk niet in de wereld van Quentin Tarantino. Zijn Grindhouse-film Death Proof, over een groep meisjes die in een slechte bar in Texas geconfronteerd wordt met de doorgedraaide Stuntman Mike, begint rustig, met plotloze bargesprekken tussen de veel te knappe en grofgebekte meisjes, die uiteindelijk resulteren in een sleazy lapdance. De eerste helft van de film eindigt nogal abrupt, met een hoofdrol voor Dave Dee en zijn maten.
Jungle Julia, radioster op billboardformaat, vraagt bij haar collega Hold Tight aan, een van de grootste hits van DDDBMT. Haar voet leunt kalm uit het rechter raampje als het nummer begint. Een basloopje, een tamboerijn. Drie zinnen die beginnen met Hold Tight, steeds een toon hoger, uitmondend in een uitbundig 'ai-ai-ai-ai-ai-aaaaai, forget the other guys'. Een popliedje over niks, maar wel een geweldig popliedje, met een Motown-backbeat en een Beach Boys-glimlach. Een minuut later volgt een onprettige ontmoeting met de ‘death proof’ stuntauto van Kurt Russell. Als gezegd: Hold Tight werd nooit een hit in Amerika. Maar dankzij Death Proof sneakt ie toch de British Invasion playlist binnen. Gordel om, gas erop. Och, was Eddie Cochran's auto maar death proof geweest.
You can judge a book by its cover, you can judge a restaurant by its kaasplankje. En: you can judge a musician by his drugs. Dat realiseerde ik me pas écht ten volle toen ik Harry Shapiro's geweldige boek Waiting For The Man las. Honderd jaar muziekhistorie gekoppeld aan de drugs van het moment. Van de marijuana-rokende jazz-cats tot hiphop uit getto's die door crack overspoeld werden. Grote muziekbladen hebben al meerdere lijstjes gewijd aan de beste drugsliedjes aller tijden, maar wat is er gemakkelijker dan een Drugslijst te maken in Spotify? 275 liedjes over reefers, ganja, needles en chronic.
Harry Shapiro's boek laat geweldig zien hoe de wisselwerking tussen kunstenaar en drugs in zijn werk ging. De opkomst en ondergang bepaalde muziekgenres was soms bijna letterlijk gekoppeld aan die van een bepaald soort drugs. Het schrijft kennelijk toch heel anders met een naald in je arm dan met verdwaald poeder op je bovenlip. Shapiro omschrijft hoe LSD de jaren zestig in een kleurrijke roes voorbij lieten gaan en hoe de sfeer omsloeg met heroïne en cocaïne in de jaren zeventig. Waar punks hun energie vandaan haalden, welk goedje de houserevolutie ontbrandde en welke chemicaliën de legendarische jazz-bands uit de jaren vijftig dreven. Shapiro zegt ergens: als heel de band op heroine speelt en jij bent nuchter, dan is het bijna onmogelijk om in de juiste vibe te komen.
Het mooiste en meest ontroerende verhaal in Shapiro's boek vind ik nog altijd het begin. De eerste jaren van de vorige eeuw, waar zwarte Amerikanen uit het Zuiden van de VS hun geluk zoeken na het afschaffen van de slavernij. Ze werken niet langer op katoenplantages, maar reizen als muzikant mee in de medicine shows. Stel je er een soort rondtrekkend circus bij voor, met entertainment, muziek, en uiteindelijk een dokter die poeders, pillen en drankjes verkoopt. Echt verstand van gezondheidszorg hadden ze toen nog niet, legt Shapiro uit. De middelen die dokters verkochten verhielpen de kwalen niet, ze bestreden enkele de symptomen. De meereizende blueszangers gebruikten de opiaten zoals ongedisciplineerde barmannen af en toe een pilsje te veel tappen.
Die Drugslijst is dan ook meer geworden dan een rij liedjes, het is een fascinerende reis door de pophistorie. Dwars door de genres, dwars door de koffer van de apotheker. Er zijn openlijke songs, maar ook cryptische omschrijvingen. Er zijn complete compilaties te vullen met zangers die een ode brengen aan hun 'geliefde' Mary Jane, die rijden op een White Horse of beloven vanavond geen 'Sugar' in hun koffie te nemen. En dan is er nog Peter Paul & Mary's Puff The Magic Dragon, waarvan de groep destijds met klem ontkende dat het iets met drugs te maken had. Mooi voorbeeld is ook D'Angelo's Brown Sugar, dat je op twee manieren kunt beluisteren: als een liefdesrelaties die omschreven wordt als een drugsverslaving, of andersom.
Je komt verschillende genres drugsliedjes in tegen. Odes aan drugs: van Cab Calloway's Reefer Man tot Mötley Crüe's Dr. Feelgood, van Rick James' Mary Jane tot D12's Purple Pills. De hilarische ode aan Marijuana door The Fugs, die luistert als een katholieke eredienst. Anti-drugsliedjes, zoals James Brown's King Heroin of U2's Bad. De raarste muziek vloeide voort uit LSD, de meest opwindende uit cocaïne, de meest hartverscheurende zonder twijfel uit heroïne. Neil Young's Needle And The Damage Done, over de onomkeerbare gevolgen, Elliott Smith's Needle In The Hay over hoe je jezelf goed kunt verliezen aan het bruine spul, Deftones diep donkere Knife Prty. Goed, 19 uur die in een roes voorbij zullen gaan. Proost. Of hoe zeg je dat?
Museumplein vanmorgen om 9 uur. Het ruikt hier nog steeds naar verlies, maar over een paar uur staat iedereen hier euforisch te doen. Ik kan me er weinig bij voorstellen. De Albert Heyn is dicht, al worden wel de laatste beesies uitgedeeld op de hoek. Het plein is weer schoon, maar van gras is nauwelijks meer sprake nadat 360.000 voeten het vertrapt hebben. Er zitten nog kuilen in waar mensen hun pletterpet neergesmeten hebben. Hier en daar ligt nog zo'n geknakt oranje bloempje dat zondagmiddag uit een helikopter uitgestort werd over de oranje massa.
Er zijn mensen die na het laatste fluitsignaal zondag meteen de televisie uit gezet hebben. Er zullen zelfs mensen zijn die na de goal van Iniesta meteen begonnen met het losknopen van de vlag. Ik heb geduldig alle nabeschouwingen uitgezeten, terwijl om me heen iedereen de slingers aan het opruimen was. Nog een keer die goal, nog een keer Casillas die de cup omhoog tilt. Ik zag Van Gaal, die helder uitlegde waarom Spanje won, maar tegelijk duidelijk de pest in had. Dat vond ik mooi, al was het maar omdat Van Gaal via de voet van Arjen Robben ook een klein beetje zelf de wereldbeker wilde winnen. We zijn allebei slechte verliezers, Louis en ik.
180.000 mensen zullen er vast niet zijn op het Museumplein vanmiddag, maar er zijn kennelijk mensen die het WK willen afsluiten door het nog één keer op een zuipen te zetten. Ze hadden zich er zo op verheugd dat ze het niet los kunnen laten. De woonboten, de oranje zee, Jansma die ter hoogte van het Max Euweplein de plomp in gejonast wordt, de lach van Wesley op het grote scherm, het kanon met gouden confetti. En de beker. Het had 88 in het kwadraat moeten worden, maar dat wordt het natuurlijk niet. Door nog één keer blij te zijn, denken ze zichzelf misschien een beetje voor de gek te kunnen houden. Hard maar waar. Ik had twee flessen champagne in de vriezer gelegd voor de overwinning. Mijn eerste aandrang na het laatste fluitsignaal was om ze toch maar gewoon open te maken. Ik ben blij dat ik het niet gedaan heb.
Ik geloof niet dat ik een trauma ga overhouden aan deze WK-finale, al was ik zondagavond behoorlijk ziek van die goal. Een trauma, daarvoor is het allemaal niet belangrijk genoeg. Wat ik wel geloof, is dat de kater van het verlies altijd groter zal blijven dan de trots dat je het tweede land van de wereld bent. Een finale verliezen is geen huldiging waard. De meeste spelers zullen dat ongetwijfeld beamen, al zullen ze voor de camera vooral praten over trots. Maar het zal voelen als bbq-en in de regen, onder een party-tent. Als stemmen op Pim Fortuyn na de moord. Het gedachtegoed van Bert van Marwijk staat nog fier overeind, zoiets. We hebben niet gewonnen. We hebben verloren.
Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik vind Willy Wonka een lul. Een zelfingenomen chocolademagnaat die normale stervelingen een kijkje biedt in zijn sprookjesimperium. Een egocentrische dandy met een hoge hoed en valse grijns. Je bent geneigd bewonderend naar hem te kijken, naar die excentrieke vogel, self made man. Maar al snel merk je dat hij dat helemaal niet verdient. Willy Wonka geeft zogenaamd gul gouden tickets weg, maar uiteindelijk draait het alleen om zijn eigen entertainment.
Legende Prince manifesteert zich zijn halve carrière al als de Willy Wonka van de popmuziek. Bijna letterlijk. Deze week verscheen in de Britse krant The Daily Mirror een zeldzaam interview met The Purple One, en de journalist in kwestie voelt zich ook even kleine Sjakie. Hij wordt uitgenodigd in Prince's Paisley Park complex in Minneapolis en rondgeleid langs platina platen en oogverblindende instrumenten. Het is de plek waar in de loop der jaren heel veel beroemde muziek opgenomen is. Prince geeft er concerten voor uitverkorenen in zijn eigen zaaltje, capaciteit 1.000. De ster loopt koket rond en als de journalist nog wat vragen probeert te stellen kirt hij: “Too many questions.” Aan het eind van de rondleiding nodigt Prince de journalist uit voor een jamsessie. Hier zijn de drumstokjes, go. Na een paar minuten ontslaat hij hem weer uit zijn band. Natuurlijk heeft zo'n interview wat kleuring door de blik van de journalist in kwestie, maar dit beeld is niet nieuw. Zo gaat het altijd bij Prince. In de zeldzame interviews die hij geeft, komt hij graag over als ongrijpbaar en mysterieus, palmt hij zijn gehoor in met zijn opvallend zware stem en vreemde verschijning. Prince is een geweldige muzikant, maar een amicale kerel zal hij nooit worden.
Dat Prince met The Daily Mirror wil praten is geen verrassing. Aanstaande zaterdag geeft hij zijn nieuwe album 20TEN weg bij de krant, een deal die hem ongetwijfeld geen windeieren legt. Ook de Belgen zullen het album zaterdag bij de krant vinden. Het Nieuwsblad voegt 20TEN bij het nieuws van de dag, ter gelegenheid van zijn show in Werchter die avond. Prince heeft een mening over het verspreiden van muziek. Niet via internet in elk geval. “The internet's completely over”, zegt hij tegen The Daily Mirror. “The internet's like MTV. At one time MTV was hip and suddenly it became outdated.” Is het internet over? Natuurlijk niet, het begint pas. Eigenlijk is dat niet eens de moeite van het discussiëren waard. Je kunt er een hekel aan hebben, je mag vinden dat het internet slecht is voor artiesten of dat het de muziekbeleving oppervlakkiger maakt, maar zeggen dat de dagen van het wereldwijde web geteld zijn is net zoiets als zeggen dat oorlog voeren met hi-tech raketbesturing wel over zijn piek heen is. Internet en digitale gadgets (lees: de iPod) zijn slecht voor de mens, vindt Prince. “They just fill your head with numbers and that can't be good for you.”
Prince vindt het niks, dat internet, en toch was hij een van de pioniers. Jaren geleden al was hij een van de eerste artiesten die zijn eigen webshop had en zo het heft in eigen hand nam. Zijn album Rainbow Children uit 2001 was alleen via zijn exclusieve club te bestellen. Ook winkels konden alleen met moeite aan het album komen, waardoor het voor een veel hoger bedrag in de fysieke schappen lag dan andere cd's. Maar gaandeweg raakte hij kennelijk teleurgesteld. Hij schakelde terug naar de oude wereld. Voor zijn album Musicology sloot hij een distributiedeal met de ouderwetse platenmaatschappij Sony. De conclusie: distributie gaat niet vanzelf, je hebt mensen nodig die er verstand van hebben. In 2007 kwam hij met een revolutionair idee: de Britse krant Mail On Sunday gaf drie miljoen exemplaren weg van zijn nieuwe album Planet Earth. Het diende meteen als promotool voor zijn gigantische concertreeks in de O2-arena in Londen.
In het Mirror interview zegt Prince geen enkele reden te zien waarom hij zijn muziek aan iTunes of andere online platforms zou geven. “They won't pay me an advance for it and then they get angry when they can't get it.” Die houding staat Prince niet aan. Als geen ander zit hij YouTube achter de vodden als er weer een filmpje van hem op de site verschijnt. Prince vergeet echter één belangrijke reden waarom hij zijn muziek toch beschikbaar zou kunnen maken op internet: zijn fans willen het. Natuurlijk willen zijn fans het. Aanstaande zaterdag zullen zijn aanhangers in Engeland naar de sigarenboer op de hoek rennen om The Daily Mirror te kopen. En de rest? Die moet een uurtje langer wachten, tot iemand de cd geript en geüpload heeft.
Eén ding heeft Prince heel goed begrepen: mysterie en exclusiviteit zijn belangrijk in de popmuziek. Prince laat geen vragen toe over zijn privéleven en heeft een hekel aan het verleden. Vroeger, in zijn Purple Rain film, hing hij al de mysterieuze, ongrijpbare freak uit. Na een groot stadionconcert geeft Prince vaak exclusieve aftershows, voor de echte fans, met de echt goede muziek. Deze zomer gaat hij op tour, maar op de agenda staan maar drie shows. Het is de basis van zijn bestaan, dit is waarom mensen fan van hem zijn. Maar gaandeweg is Prince doorgeschoten. Zijn exclusiviteit en vreemdheid is geen artistiek model meer, maar een economisch model. Hij denkt alleen aan zijn eigen portemonnee, en niet aan die van de fan. Hij is een gierige ster geworden, vermomd als een vrijgevige weldoener. In plaats van de muziek onvoorwaardelijk aan zijn fans te geven, probeert hij zelf de volledige controle te houden. En als er iets niet kan in het internettijdperk, is dat het wel.
Het kwam nog een beetje goed met Willy Wonka, het blijft tenslotte een sprookje. Aan het eind van het verhaal blijkt in die onuitstaanbare kwast een klein hartje te zitten. Een gekwetst klein kind. En toch, toch blijft het een lul.