skip to main |
skip to sidebar

Wat is het verschil tussen een goochelaar en een oplichter? Door een goochelaar laat het publiek zich graag om de tuin leiden, zich afvragend hoe die man dat in godsnaam allemaal doet. Vingervlug, terwijl je kijkt. Een oplichter gebruikt dezelfde trucs, met een cruciaal verschil: aan het eind is niet alleen het balletje, maar ook het geld verdwenen. Lucky Fonz III speelt in zijn 'musical monoloog' in de Leeuwenberghkerk in Utrecht balletje-balletje met zijn publiek, maar uiteindelijk hoeft niemand zich bekocht te voelen.
Lucky Fonz III beschikt over een groot komisch talent, zeker voor een singer-songwriter. Dat wisten we al. Als je hem belt, stromen de droogkomische quotes vanzelf je papier op. Lucky Fonz komt nooit op saaie feestjes, omdat een avond begint zodra hij de drempel over stapt. Dan werpt hij zijn hoed naar de kapstok en schenkt zichzelf een glas rode wijn in. Ik heb Lucky Fonz op zien treden in rumoerige cafés voor een publiek dat hem niet kende. Elke keer lukte het hem met een paar goede grappen de aandacht op te eisen voor zijn melancholische folkpopliedjes.
Ik heb me altijd afgevraagd of er verschil is tussen Lucky Fonz III en Otto Wichers. Lucky Fonz, de jongen met met de stoffig ogende pantalon, die dure lederen schoenen en dat hoedje, die met een glimlach en een gitaarkoffer door de wereld trekt? Otto Wichers, met de benen op tafel thuis op de bank? Toen ik hem in april interviewde, was dat mijn belangrijkste vraag, maar een antwoord kreeg ik niet echt. Hij vond die vraag niet belangrijk, zei hij, maar dat is ie natuurlijk wel. Nu snap ik dat antwoord: zijn hele theatershow gaat erover.
In zijn Nederlandstalige liedjesprogramma jongleert Lucky met romantiek, absurditeit en meligheid. Hij zingt liedjes over de liefde en de dood, maar hij doet ook een goocheltruc. Met drie radio's. Een dame uit het publiek mag één van de drie kiezen, en Lucky bewijst dat hij haar gedachten kon lezen. Precies zo goochelt hij met zichzelf, of beter: met zijn karakter. Is hij de improviserende slordervos die hij lijkt? Of is hij berekenend en is elke noot doordacht, ook als ie vals is? Zingt hij liedjes recht uit zijn hart, of bespeelt hij zijn luisteraars met fictieve emoties? En dat rare verhaal over zijn oma die hem op twaalf-jarige leeftijd aan het roken probeerde te brengen, is dat nou waar gebeurd of niet? En dat verhaal van die man met dat mes in Zuid-Afrika?
Leukst aan Lucky Fonz vind ik altijd dat je je constant afvraagt of het nou knap is wat hij doet. Technisch mooi zingen kan hij niet, zijn gitaarspel is vaak eenvoudig en traditioneel. Ook daar speelt hij mee in deze theatershow. Lucky zingt eigenlijk voor het eerst in het Nederlands, en in zijn liedjes zitten opvallend veel taal- en ritmefouten. Die gezellige krakkemikkigheid is zijn handelsmerk geworden, hoe hard hij op zijn derde album ook probeerde gestileerder uit de hoek te komen. Een cursus Lucky Fonz III in drie minuten. Welke akkoorden moet je jatten? What Shall We Do About The Drunken Sailer! Van welke cd leen je de melodie? Geblinddoekt Dylan! En hoe kom je aan je tekst? Uit de boekhandel natuurlijk...
Het is een vorm van zelfspot waarmee Lucky zichzelf expres tekort doet, misschien wel om de spanning wat van zijn geladen liedjes te halen. Zijn eerste theatershow is nog geen magnum opus waarin alles op zijn plek valt, maar is alleen al vanwege dat geraffineerde spel de moeite waard. En één ding is in elk geval echt: Lucky Fonz weet te ontroeren met kleine grote liedjes.

Gegil in bioscoop Rembrandt in Utrecht. Geen kabaal van baldadige hangjeugd, maar een specifiek soort hoog gekrijs, dat je alleen hoort bij de echt groten der aarde. Ik hoorde het bij Prince in Ahoy, die keer toen Mariah Carey te gast was bij Ivo Niehe, en bij Michael Jackson. Waar hij ook was, altijd dat indringende geluid. Het is goedbedoeld en welgemeend. Er zitten echte fans in de zaal vanavond voor This Is It, het laatste kunstje van de King Of Pop. Of eigenlijk: de repetities voor het laatste kunstje dat er niet meer kwam. In de pauze doen drie jongens elkaar de beste danspassen uit het eerste deel voor. Tijdens Billie Jean gillen een paar meisjes vooraan op het moment dat Jackson de Moonwalk lijkt te gaan doen. Lijkt, want de Moonwalk bewaar je voor de echte show, maar met hun gegil proberen ze het moment al vast te grijpen voor het er is. Na elk nummer wordt gejoeld en geklapt, alsof mensen bij een concert zijn.
Dat is natuurlijk ook een beetje zo. Deze film, dik anderhalf uur, komt het dichtst bij die monumentale grote concertreeks in Londen, vijftig keer O2 Arena. De beelden waren vast bedoeld als extra features bij de concert-dvd, of - zoals het officieel heet - voor het archief van Michael Jackson. Geen documentaire die meerdere kanten belicht, maar 112 minuten behind the scenes footage. We zien Jackson aan het werk met zijn immense crew en zijn fabelachtig strakke band, maar vooral: met zijn dansers. Honderden dansers kwamen naar de audities, en de beelden daarvan zijn indrukwekkend. Jackson wijst ze hoogst persoonlijk aan. Hij, zij daar, die daarnaast. De eisen zijn hoog. Dansers moeten atletisch zijn, energiek, sexy. Jackson kan eisen stellen, want iedere danser wil met hem werken.
Een beetje zelfbevlekking is hem nooit vreemd geweest. Verschillende dansers en muzikanten komen aan het woord. Een danser vertelt met tranen in zijn ogen hoe Jackson zijn leven richting gaf. In de band zit één blond jong ding op gitaar, maar voor de rest zijn het vooral robuuste veteranen. Een van hen vertelt dat hij al fan was toen Michael 8 jaar oud was. Hij speelde met de groten der aarde, zegt hij, maar werken met Michael Jackson is het hoogst haalbare. Ik was sceptisch, maar de film laat zien dat de concertreeks best wel eens historisch had kunnen worden. Vooral door de spectaculaire decors, de visuals. Jackson zelf oogt breekbaar, met die lijzige stem, dat afgebrokkelde gezicht, zijn te wijde broek en zijn slecht vallende jasjes. Naast de afgetrainde dansers, twintigers in de kracht van hun leven, is Jackson een oude man. Toch lijkt het er in deze montage op dat hij nog genoeg in huis had om zich staande te houden.
Van de mens Michael Jackson zien we zo goed als niets, alleen al doordat een zonnebril negentig procent van de tijd zijn ogen afschermt. Jackson zelf wordt ook niet geïnterviewd in de film. This Is It toont vooral Michael Jackson als professional. En dat valt niet tegen. Zijn crew roemt hem omdat hij zijn muziek door en door kent. Dat klinkt logisch, maar als je hem aan het werk ziet, begrijp je wat ze bedoelen. Hij stuurt zijn band op timing, op kleine details. Hij koerst op perfectie. Het doel is om grenzen te verleggen. Om zijn vorige concertreeks te overtreffen en alles wat hij in de tientallen jaren ervoor gemaakt en gedaan heeft. De lat ligt onmenselijk hoog, maar aan Michael Jackson is dan ook weinig menselijk.
En dan dat ene moment. MJ (zoals hij ook door zijn crew genoemd wordt) repeteert het Jackson 5 blokje. I Want You Back, The Love You Save, inclusief de bijbehorende dansjes. In de zaal staan zijn dansers compleet uit hun dak te gaan. Ze springen, ze schreeuwen, ze gooien bijkans hun hoedjes omhoog. Jackson zingt inderdaad de sterren van de hemel in I'll Be There. Vol van stem, trefzeker. Direct na de laatste noot zegt hij met een zucht: "Jullie moeten dat niet doen! Ik moet mijn stem sparen, ik mag niet voluit gaan. Jullie dwingen me voluit te gaan."
Op dat moment lijkt het wel of het gegil in deze zaal in Utrecht met het geluid uit de duizenden filmhuizen in de hele wereld waar This Is It op hetzelfde moment vertoond wordt samenvloeit tot één gierende chaos. Samen met het angstaanjagende geluid van de duizenden fans in Londen op de persconferentie waar Jackson zijn concertreeks bekend maakte. De beelden zitten in de film. Een vader laat zijn zoontje bijna over het hek vallen van extase. De hysterie die hem begeleidde toen hij in 2005 onder een parasol van de auto naar de rechtszaal liep. De manische lokroep die Jackson gehoord moet hebben in 2002 bij zijn hotelraam in Berlijn, waar hij met zijn pasgeboren zoon was. Het gegil dat hij voor het eerst hoorde toen hij acht was en dat nooit meer verstomde.
Het leek wel of hij zelf niet zonder wilde. Alsof hij die volstrekte waanzin cultiveerde. De Dangerous Tour begin jaren negentig - daags na zijn dood werd een opname uit Boekarest uitgezonden - begint ermee. Op de grote schermen in het stadion zien we een filmpje van Michael in een auto, omringd door gillende mensen. Mensen die flauw vallen in stadions en op brancards van het veld gedragen worden. Hij kon het simpelweg niet weerstaan, en het heeft hem tot de laatste adem leeggezogen. Nog voor zijn final curtain call.

De arrogantie van atheïsten. Die kwam schrijver Kluun vorige week bij ongelovigen Pauw en Witteman aan de kaak stellen. We zullen hem vaker gaan zien de komende maanden. Met de verfilming van zijn eerste boek Komt Een Vrouw Bij De Dokter in aantocht zal de schrijver weer in elk programma opduiken. Als voorproefje op dat grote circus schreef hij een essay voor de Maand van de Spiritualiteit. De stelling is prikkelend: nu de atheïsten na eeuwenlang christelijke overheersing eindelijk aan de macht zijn in intellectueel Nederland, moet iedere gelovige zich constant verdedigen. Waarom eigenlijk? Waarom is het zo'n schande om - net als hij zelf - te zeggen dat je in 'iets' gelooft? Je kunt immers niet bewijzen dat er níets is, toch?
Op zich een interessante gedachte, maar Kluun verdedigt hem wat klunzig. Het is uiteindelijk de houding van Jeroen Pauw die bewijst dat hij op zijn minst een beetje gelijk heeft, niet de argumenten van Kluun. Alle toonaangevende media zijn in handen van atheïsten, beweert hij. Pauw en Witteman... Knevel en van de Brink, countert Pauw. Nee, hij bedoelt toonaangevende media, probeert Kluun met een grapje terug te slaan. Waarom mogen mensen niet gewoon geloven wat ze willen? Het is hun houvast, en zelfs christenen geven tegenwoordig openlijk toe dat ook zij twijfels hebben. Waarom moet je daar als een missionaris tegen ten strijde trekken? Omdat mensen uit het bestaan van die God maatschappelijke conclusies trekken, luidt het antwoord Paul Witteman.
Dat laatste argument gaat niet echt op voor mensen als Kluun. Hij gelooft niet in een God die de regels van het leven bepaalt, maar in 'iets'. Zonder consequenties. Die opportunistische spiritualiteit kenden we al van hem. Het zit ook in Komt Een Vrouw Bij De Dokter. Carmen van Diepen, halverwege de dertig en in de bloei van haar leven, krijgt borstkanker en stevent af op de dood. Man Stijn, zelfverklaard monofoob, vlucht in feesten en vreemdgaan. Pas aan het einde, als de auto van Stijn na een triootje met een collega/ex-vriendin en een stagiaire ondersteboven op straat ligt, grijpt hij naar de goddelijke troef. Zelf gelooft hij er eigenlijk niet in, maar zijn maîtresse Roos raadt hem aan eens te bellen met Nora, een vrouw die contact heeft met de andere wereld.
De andere wereld, mijn reet, denkt Stijn, en de lezer denkt met hem mee. Het is ook wel een beetje vreemd, want Nora vertelt hem allemaal dingen over zijn vrouw alsof ze al gestorven is, terwijl dat nog helemaal niet zo is. Maar soit, Stijn staat er zelf ook sceptisch tegenover, dus goedgelovigheid kun je hem niet kwalijk nemen. Nee, geloven doet ie het niet, maar met het antwoord kan hij wel wat, en dus neemt hij het ter harte. "Nu krijg je de kans om je vrouw alles terug te geven wat je al die jaren van haar gekregen hebt", fluisteren Nora en haar souffleurs hem in.
Kluuns hoofdpersoon is een echte Hollander. Of beter: een echte moderne Hollander. Nuchter, vindt hij zelf. Hij laat zich niets wijsmaken. Niet door religie, maar ook niet door autoriteiten. Niet zo gek, want de dokter die Carmen in eerste instantie onderzocht, maakte een grote inschattingsfout. Het had allemaal voorkomen kunnen worden, denkt Stijn, waarschijnlijk terecht. Hij draagt het niet alleen de dokter in kwestie na, maar ook alle andere dokters en verplegers in het ziekenhuis. Het vertrouwen in de medische deskundigen is nul. Een psycholoog om alles op een rijtje te zetten? Stijn begint er niet aan. En ook van een praatgroep met andere 'slachtoffers' moet hij niets hebben. Stijn van Diepen is een individualist, die precies weet waar hij gelukkig van wordt.
Religie en spiritualiteit zijn stoplappen in de schrijverswereld van Kluun. Als het echt niet anders kan, wordt God uit de trukendoos gehaald. Hoe leg je een driejarig kind uit dat haar moeder dood gaat? Precies: je vertelt haar dat mama het mooiste engeltje in de hemel wordt, met vleugeltjes. En dan maar hopen dat ze niet doorvraagt. De echte kernwaarden in het leven van Stijn van Diepen zijn overzichtelijk en aards: voetbal, muziek en vrouwen. Mensen moeten vooral niet denken dat hij daar iets edels mee bedoelt, moet Kluun gedacht hebben. Om die mogelijkheid uit te sluiten, kiest hij het hele boek door voor de minst charmante termen als hij het heeft over de vleselijke lust. Zijn vrouw noemt hij een lekker wijf met grote tieten, voor de meisjes in zuiptent De Bastille hanteert hij termen als 'sliptongetjes', 'bekken' en zelfs 'kopkluiven'.
Hij doet het erom. Waar grote schrijvers vroeger hun hersens kraakten op bloemrijke beeldspraak, grijpt Kluun op het plagerige af naar platte voetbalvergelijkingen. Terwijl de liefde van zijn leven thuis in bed ligt, gaat Stijn met zijn potente vrienden naar Miami. Daar ontmoet hij een vrouw. Niet eens een mooie, maar een dikke Amerikaanse griet. Vlak voor hij haar in zijn hotelkamer de hele nacht 'van jetje' geeft, loopt hij vriend Frenk nog tegen het lijf: "Terwijl ze mijn lul, die zo hard is geworden als de stoeltjes van de ArenA, diep in haar mond heeft, gaat de liftdeur open en kijk ik recht in de ogen van Frenk." Heeft hij energie, dan denkt hij aan Edgar Davids. Is hij geil, dan denkt hij aan het libido van Patrick Kluivert. Ziet hij een kale kankerpatiënt in het ziekenhuis, dan denkt hij aan Pierluigi Collina, de beroemde Italiaanse scheidsrechter. In de voetnoten slaat hij je om de oren met onbelangrijke voetbalfeiten, waaronder de complete opstellingen van Ajax in belangrijke wedstrijden.
Minstens zo waardevol in het leven van Stijn is muziek. Elk hoofdstuk opent met een citaat uit een liedje, cliché op cliché. Natuurlijk, Sinatra's My Way ís een van de beste liedjes ooit geschreven over Het Einde. De dood noemt Sinatra het niet, hij kiest liever voor het veel poëtischer 'the final curtain'. Sinatra klonk bronstig, vol levenslust, toen hij het zong. Een monument in de muziekgeschiedenis, maar daardoor ook een uitgemolken song, die je met goed fatsoen eigenlijk niet meer op een begrafenis kunt draaien. Bij pijn denken aan R.E.M.'s Everybody Hurts? Kom op, er moet iets originelers te verzinnen zijn?!
Daar denkt Kluun heel anders over. Hij is niet bang voor platgetreden paden en ook niet voor 'lage' cultuur. Dat hij Bruce Springsteen en Blof gelijkstelt, is een keuze. Het gaat maar om één ding: ze moeten een goed gevoel geven, je idee over het leven bevestigen. Precies zoals de spiritualiteit van Nora. Het moet 'een waarheid' bevatten, ergens van binnen. En clichés bevatten die universele waarheid, dat is precies de reden dat het clichés geworden zijn. Je bent een slecht mens als je anderen hun clichés misgunt. Een slecht mens, of erger: een elitair mens. De rillingen lopen Kluun over de rug als hij het woord hoort.
Zijn Stijn is een man met een weinig verfijnde smaak, die achter de rug van zijn stervende vrouw om heel het Leidseplein neukt, maar tegen de tijd dat de dood haar eindelijk komt halen, is de omschrijving 'ode aan de liefde' weer helemaal op zijn plaats. Het hoogtepunt is een scène waarin Stijn het oncontroleerbare geslachtsdeel van zijn zwaar vermagerde vrouw dempt met een handdoek. De kut die hij, zo schrijft Kluun, ontelbare keren gelikt heeft, waar hij zijn lul in gestoken heeft, zijn vingers, alles wat ze samen maar konden bedenken. Wolkersiaans, met een beetje goede wil, maar dan lomper opgeschreven en als onderdeel van een te lange sterfscène. De tegenstelling tussen de platte, seculiere, hedonistische samenleving en de ware zin van het leven is best wel interessant, maar in plaats van dat uit te diepen, laat laat Kluun het boek eindigen als een tranentrekker, met God als slecht passend puzzelstukje. Als zijn dochtertje voor het laatst afscheid neemt van haar moeder, roept hij de Heer in wie hij niet gelooft aan. Laat Hem in hemelsnaam wél bestaan.
Je kunt het de mens Raymond van de Klundert moeilijk kwalijk nemen. Is er iets ondraaglijker dan de gedachte dat het ophoudt na dit leven? Dat je veel te vroeg gestorven grote liefde voor altijd verdwijnt in het niets? De schrijver Kluun daarentegen... Literair gezien is zijn uitwerking plat en zijn stellingname eenvoudig door te prikken. Wat zou er van Kluuns boek overblijven als tv-goeroe Reinout Oerlemans er ook nog overheen gaat? Wordt het een drie uur durend epos, waarin die vijftig pagina's sterfscène helemaal uitgespeeld worden? Gaan de filmmakers voor de geilheid en de sensatie? Zouden de filmmakers de verleiding wel kunnen weerstaan om de geestenfluisteraar aan het slot Barry Atsma de zin van het leven in te laten fluisteren?
* Wrample van Milan Kundera, De Ondraaglijke Lichtheid van het Bestaan.

Ik weet niets van Hermann Nitsch. Bijna niets. Wat wikiwijsheden en dingen die de laatste tijd over hem in het nieuws waren. Dat hij uit Oostenrijk komt, dat hij al sinds de jaren zestig actief is als kunstenaar, en dat niet iedereen daar blij mee is. Je hebt geen internet nodig om dat te weten: bij de ingang van het Zwijsenpand in Tilburg staan ongeveer vijftien dierenactivisten met spandoeken en pamfletten. "Geen 'kunst' ten koste van dieren", betogen ze. "Moord is geen kunst".
Eerlijk gezegd heb ik geen mening over de Aktion van Nitsch. Voor de deur benadert een meisje met een lijst vol ethische vragen bezoekers van het Incubate festival, voor haar scriptie. Gelukkig slaat ze mij over, want ik heb geen antwoord op de vraag hoe ver een kunstenaar mag gaan. Of het fout is om met dode dieren te paraderen, en of een gehandicapt kind in plaats van een varken een brug te ver zou zijn. Ik wil vooral weten hoe het is om zoiets te ondergaan wat de meeste mensen beschouwen als achterhaald, onmenselijk, wreed en wanstaltig.
Twee uur later druppelt het bloed zachtjes van de beruchte varkenssnuit op de geblinddoekte naakte vrouw die er onder ligt. Vanaf de balustrade klinkt het kabaal van ratels, fluitjes en staccato trompetten. De naakte vrouw doet hard haar best om geen spier te vertrekken terwijl het bloed op haar dijen spat, maar een trillend been verraadt dat ze het koud heeft. De ritueel leider is ook niet bepaald een warmbloedig persoon. In afgeknepen Duits legt hij af en toe uit wat er gebeurt, vaker nog fluistert hij de in wit gestoken helpers in wat ze moeten doen. En vette vis verkruimelen met de blote vingers. Een beker bloed uitgieten in de mond van een actrice op een tafel, die het vervolgens gedoseerd over haar kin naar beneden laat glijden.
Het lage tempo van de hele seance zorgt voor een absurde sfeer. Aan het begin iets tussen lacherig en sereen in, maar na een uur eigenlijk alleen nog maar het laatste. Moet je je voorstellen dat dit fenomeen zes dagen doorgaat, zoals de gewoonte is. Nitsch en zijn gezelschap paraderen langzaam en zwijgend van tafel naar tafel. Langs aardbeien, brood, tomaten. Gekneed en overgoten met bloed, water en melk.
Het is raar, maar het is mooi om bloed over een mensenlichaam te zien lopen. Vanuit de mondhoeken over de nek, een kleine bocht bij het sleutelbeen, gesplitst tussen de borsten. Sommige mensen vinden het zelfs erotisch. Ik voel dat niet zo, maar walgelijk is het niet. Dat is het pas als je later naar de foto's kijkt. Er zijn ook weinig mensen met vertrokken gezichten in de grote hal. Hooguit zie je na een uur of twee mensen die hun neus dicht knijpen tegen de indringende geur van vers bloed. Nitsch shockeert niet, en dat is eigenlijk vreemd. Hij zit op een stoeltje met een tevreden blik en een glas wijn. Op een tafel achterin ligt een vrouw met gespreide benen. Op de hoek van de tafel liggen ingewanden, overgoten met dieprood bloed, dat op het witte papier druppelt.
Eén Nitsch-dienaar valt me op. Niet de twee leiders, de man met het grijze haar en die andere met het doorweekte shirt en de druipende baard. Zij zijn professioneel, gedecideerd en in charge. In feite zijn zij niet meer dan de misdienaren die het brood aan de priester aanreiken. Ik ben geboeid door dat meisje met dat lange haar en die gelukzalig wazige blik in haar ogen. Ze moet ergens halverwege de twintig zijn en ze ziet eruit als de duistere heldinnen in Italiaanse occulte horrorfilms.
Die films appelleren vaak aan dieptraditionele menselijke angsten. De dood, het duister, het ongrijpbare. Ze zitten vaak vol rituelen en tradities die terug gaan tot oude beschavingen. Ze zijn angstaanjagend en beklemmend, omdat de hoofdrolspelers doorgaans ongevraagd slachtoffer zijn van de bizarre driften van hun tegenstanders. Dat gevoel ontbreekt bij Nitsch, omdat je een 'slachtoffer' tien minuten later schoongespoeld mee ziet helpen aan de bevlekking van een ander. Gek genoeg gaat deze happening meer over het leven dan over de dood. Daar komt bij dat je in de hal kunt gaan en staan waar je wilt. Je kunt dichtbij staan, verderop, je kunt een trap op klimmen of even naar buiten lopen. Hoe pervers ook, na anderhalf uur sta ik nog steeds onbewogen te kijken.
En dan bekruipt het je onbewust toch. Na twee uur gesjouw met dode dieren en emmers organen liggen overal grote plassen bloed en is de intensiteit van het spektakel langzaam maar genadeloos opgevoerd. Het varken ligt inmiddels ondersteboven vastgebonden op het lichaam van de vrouw. Zes, acht dienaren staan over het beest gebogen. Vier houden het uiteengereten lichaam open, de anderen gooien alle ingewanden terug, en maken woest masserende bewegingen. Als een troep aasgieren op een prooi, maar op hetzelfde moment ook weer niet wreed. Het is geen walging, niet eens echt ongemak, maar een onbestemde fysieke reactie. Het is wonderlijk hoe de geur van bloed in je jas kan trekken, in je neus, tussen je tanden. Twee dagen later is het er nog steeds. Geen nachtmerries, gewoon soms een vleugje Nitsch.

Het allerlaatste moment van Lowlands 2009: "De Darkraver heeft nog nooooooit gecrowdsurft!" MC Ruffian weet dat het publiek in de X-Ray er klaar voor is om de hardcore dj op handen de tent uit te dragen. Het is kwart voor vijf op zondagavond, na drie dagen feesten worden de laatste kruimels van de Lowlands-koek verorberd. De Darkraver komt tot twee derde, maar Ruffian zelf wordt onder luid gejuich tot zeker tien meter buiten de tent gedragen. De laatste hardcore kicks sterven weg.
Beroemd incident uit de Lowlands-geschiedenis: direct vanaf het begin van zijn set op Lowlands 1997 wordt gabber-dj Dano bekogeld met bier en uitgejoeld. Einde experiment. Dano pakte zijn platenkoffer en vertrok. Geen kleine jongen, die Dano. Samen met Buzz Fuzz, Gizmo en The Prophet vormde hij The Dreamteam, een koningskwartet dat de show stal op grote ID&T feesten als Thunderdome en Mysteryland. Gabber is op dat moment booming, en Lowlands reserveert de Alpha-tent. Het festival staat bekend als een plek waar alles kan. House maakte er voor de cross-over naar het alternatieve rockpubliek, en eind jaren negentig kon je zo van de hipste band in een keer bij de goedkoopste smartlappenact belanden. Maar gabber, dat ging te ver.
Gabber, de meest demente vorm van dansmuziek. Voer voor kaalgeschoren, doorgesnoven idioten. Domme muziek zonder enige vorm van subtiliteit, met hersenloze teksten. Hooliganmuziek voor mensen die geen maat kunnen houden in het leven. Zo staat gabber sinds de jaren negentig bekend. Deels terecht natuurlijk. Eerlijk is eerlijk, je komt de intellectuele elite niet tegen op Thunderdome. Verrassend aardige mensen zijn het vaak wel. Voor je het weet vertellen ze je hun levensverhaal. Dat zijn niet zelden ontroerende verhalen.
Op Sensation Black ontmoette ik eens een 19-jarige jongen die op zijn 13e voor zijn moeder meegenomen werd naar zijn eerste technofeestje. Zijn moeder was nogal een type, vertelde hij. Gebruikte drugs, werkte zelfs een tijdje in een striptent, en scheidde van zijn vader. Versleet daarna verschillende kerels, maar pas de vijfde had een klik met zoonlief. En die vijfde, die was nu net deze week overleden aan kanker. Bizar verhaal, maar ik zag dat het waar was. Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen. Misschien had ik het geweten als ik de juiste drugs gebruikt had, maar nu kon ik niet zo veel meer dan knullig zeggen dat ik het verschrikkelijk voor hem vond.
Mij zul je niet horen zeggen dat de clichés over hardcore niet waar zijn. Dat zijn ze namelijk heel vaak wel. Maar het is ook leuk om te zien dat langzamerhand steeds meer aandacht komt voor de andere kant. Want precies zoals gabbers niet alleen maar nare mensen zijn, is hardcore geen muziek die gemeden moet worden als de pest. Dé doorbraak was de boeking van DJ Promo, vorig jaar op Lowlands. In maart liet hij zich op 3VOOR12 ontvallen dat Lowlands hem niet durfde te boeken. Onder het artikel doken alweer de voorspelbare reacties op: je hebt helemaal niets te zoeken op Lowlands vriend. Mensen zouden wel klaar staan met meters bier. Niets daarvan op die avond in de X-ray tent. Promo draaide na Bong-ra een echte vijfsterrenset. Breakbeat, loeiharde breakcore, drum 'n bass, hiphop, rave, van alles zat er in. Maar tent ging vooral kapot op de hardcore kicks.
Dit jaar was Promo gepromoveerd naar de grote Bravo-tent, met een speciaal project in samenwerking met hiphoplabel Top-Notch. Strikt genomen niet echt hardcore maar meer heel harde hiphop, maar dat deed er niet toe. Ik was er zelf niet bij, maar als ik het goed begrepen heb was de animo groot en de show een succes. In elk geval waren er zoveel mensen dat Opposites-rapper Big2 helemaal tot achterin de tent kon crowdsurfen. Vroeg op de zondag stond ook het Amsterdam gabberpunkduo Aux Raus voor de tweede keer op de Lowlands-planken. Uit de alternatieve rock hoek, maar mede verantwoordelijk voor de coolfactor die gabber ineens heeft.
Op zondagavond vond in de India-tent het jaarlijkse polkafestijn met Kees van Hondt plaats. Dronken Lowlanders dansten met losgerukte planten boven hun hoofd op een balkanversie van de Pippi Langkous tune. Als dat mag, dan mag de Darkraver ook. "Hoooooold me now", klinkt het in de X-ray. "I really want to say I'm soooorry", brult de hele loods terug. En daar is weer die hardcore kick. Even later een vergabberde versie van Cranberries-klassieker Zombie, en iets van Red Hot Chili Peppers. Darkraver doet zijn reputatie als platte dj eer aan, maar wat een ontlading in die laatste uurtjes. Tijd voor een mooi feestje op Amsterdam Dance Event?

Mad Men, seizoen 2, aflevering 3: de eerste keer dat Don Draper een complimentje geeft. De eerste keer dat het mij opviel in elk geval. Het is een subtiele 'well done' bij het uitlopen van de vergaderruimte, met een licht klopje op de schouder, maar het is onmiskenbaar. De gelukkige is Harry Crane, een sullige, jonge medewerker van reclamebureau Sterling Cooper. Hij verdient minder dan zijn snelle leeftijdgenoten (zag hij toen hij 'per ongeluk' de paycheck van een collega opende) en heeft ook minder briljante invallen, maar vandaag had hij het goed begrepen.
Het geval: een vriend bij tv-zender CBS had de grootste moeite om adverteerders te vinden bij een advocatenserie. De scenarioschrijvers hadden de zender opgezadeld met een taai onderwerp: abortus. Crane ziet de ideale combinatie: Belle Jolie Lipstick. Misschien niet de meest voor de hand liggende combinatie, maar de logica is simpel: jonge vrouwen zullen koste wat kost de controversiële aflevering willen zien.
Don Draper, de grote man in het bedrijf, geeft geen complimentjes. Niet op zijn werk, en ook niet aan zijn naïeve vrouw Betty. Draper is een berekenende strateeg die meerdere geheimen te verbergen heeft. Als het nodig is, zet hij daarvoor zijn secretaresse zonder pardon op straat. Dat kan hij allemaal maken. In zijn bedrijf is hij machtig en creatief, in het leven is hij charmant. Hij beschikt over het essentiële talent: hij begrijpt de psychologie van de massa.
"Happiness is the smell of a new car", zegt Don Draper ergens in het eerste seizoen. Een paar afleveringen later zegt hij het nog treffender, tegen een van zijn geheime vrouwen: "Wat jij liefde noemt is bedacht door mannen als ik, om panty's te verkopen". Het is een ontluisterend idee, maar wel een soort van waar. Niet toevallig heeft scenarioschrijver Matthew Weiner zijn fictieve reclamebureau gesitueerd aan het begin van de jaren zestig. TV breekt door, de welvaart neemt toe, en wie de combinatie tussen die twee begrijpt, kan profiteren. De American Dream is in de handen van marketeers. Grappig en veelzeggend dat de legendarische verkiezingsavond tussen Nixon en Kennedy op het kantoor van Sterling Cooper verzandt in een zuip- en neukfestijn.
Hoewel het internet een en ander veranderd heeft aan de grip van de commercie - het aanbod is enorm gegroeid, het publiek versplinterd - is aan die situatie niet wezenlijk iets veranderd. Mede daardoor is Mad Men zo'n hit. Het is een mooie traditie in de Amerikaanse tv-series: een goed verhaal staat niet op zich, het vertelt ergens op de achtergrond van alles over ons, over de maatschappij, over wat wij normaal vinden en abnormaal. De ontbijttafelperikelen van een maffiabaas, de politieke spelletjes rond de bestrijding van drugsbendes in Amerikaanse achterwijken, nu dus de dromen en ambities van de mannen die voor ons bedenken hoe geluk eruit ziet.
Nu hun eigen geluk nog.

"Misschien houden de mensen toch niet zo van Elvis", liet Idol-turned-presentator Jamai zich afgelopen week op radio 538 ontvallen. Dat zou de reden moeten zijn voor het falen van zijn programma Waar Is Elvis?. Minder dan 300.000 mensen keken naar de tweede aflevering. Was niet zo'n slimme zet, je eigen flop goedpraten over de rug van de King. Peter Haan, voorzitter van fanclub It's Elvis Time, reageert in de Telegraaf als door een wesp gestoken. "Ik zag de bui al hangen toen mensen van de productie bij ons kwamen. Of we als fanclub Elvis-maskertjes, Elvis-pruiken en Elvis-brillen konden leveren. Aan die flauwekul willen we niet meedoen."
Echte Elvis-fans kijken met walging naar het programma, beweert Haan. Tenenkrommend, 45 seconden brokjes liedjes, giebelende grappenmakerij en onzinnige quizvragen. Daar hoeft dus alvast niet over gediscussieerd te worden. Waar Is Elvis? is een suf karaokeprogramma, waarin het publiek belachelijke Vegas-brilletjes draagt en seksloze dikzakken hun heupen wiegen op Hound Dog. Bovendien is het eigenlijk een commercial van drie kwartier, een lokkertje voor de Joop van den Ende musical: All Shook Up, Love Me Tender.
Toch, als er één artiest is waar dit soort gekdoenerij bij hoort, dan is het wel Elvis Presley. Fans die nog steeds niet geloven dat hij dood is, imitators in witte jumpsuits, bedevaartstochten naar Graceland, het hoort er allemaal bij. Bij mij om de hoek op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht zit een Presley-winkel, de Elvis Corner, een ietwat vale bordkartonnen beeltenis in de etalage. Inderdaad, een zaakje dat alleen maar Elvis-spullen verkoopt. Terwijl overal in het land goede platenzaken failliet gaan, zit die winkel daar al bijna vijf jaar. Ik heb er nog nooit iemand binnen gezien, en je zou denken dat ze vooral leven van internetbestellingen, maar eigenaar Johan van Wezel beweert dat zijn omzet vooral uit de winkel komt.
Ik ben er al vaak langs gekomen, maar ben deze week pas voor het eerst binnen gestapt. Je weet niet wat je ziet. Elvis asbakken, oorbellen, action figures, dekbedovertrekken, pepermuntjes, paraplu's, Blue Suede Chardonnay en Jailhouse Rock Merlot. En toch word je in die winkel niet overvallen door de walging die opkomt bij het programma. Dat komt door die enorme bakken met cd's, de exclusieve 7 inch singles, gouden platen, rijen vol LP's en zeker 100 verschillende dvd's. De bekende albums staan er in veelvoud. Persingen uit Japan, Australië, Amerika. Alles kun je er vinden, zelfs de soloplaten van zijn achtergrondzangeressen.
Ergens ligt een grens tussen verzamelwoede en flauwe carnavalsuitdossingen. Echte fans willen blind alles hebben wat er is van hun artiest. Een echte fan koopt ook de afschuwelijke platen die zijn idool in zijn nadagen maakt. Albums die hij misschien wel nooit voor zijn plezier opzet, maar die de collectie compleet moeten maken en de honger weer even stillen. Fans dragen hun liefde voor een artiest uit door te consumeren. En als de muziek op is, dan maar een mok. Het heeft iets aandoenlijks. En hoe meer goede muziek een artiest gemaakt heeft, hoe meer crap de fans zich laten welgevallen. Ik zeg dat met een mengeling van begrip en onbegrip.
Maar wat is dan het verschil met dat programma? Echte liefde? Authenticiteit? Een fles Blue Suede Chardonnay kun je moeilijk authentiek noemen. Hij komt niet eens uit Memphis, maar uit Californië! Het verschil is eigenlijk niet uit te leggen, maar voor de echte fan moeiteloos te voelen. Een ding is zeker: Waar Is Elvis? is niet gemaakt met liefde voor Elvis Presley, maar met liefde voor entertainment. Het is geen popmuziekprogramma, maar een niet al te doordachte gezelligheidsrevue. Lekker meezingen op vrijdagavond, het bleek de afgelopen jaren de kip met de gouden eieren. Elvis heeft toevallig een groot arsenaal hits om uit te putten, maar het had ook iemand anders kunnen zijn.
Michael Jackson bijvoorbeeld. Je hoort ze knarsetanden op de RTL-redactie, een maandje voor het programma begint. Jamai kan zijn teleurstelling niet verhullen. In hetzelfde interview op radio 538 zei hij: "We hebben een programma over de King, Elvis, dan is net Michael Jackson overleden. Dan ligt de focus meer daarop." Het kan geen toeval zijn: terwijl ik me in de Elvis Corner sta te vergapen aan een zilveren beeldje van Elvis' '68 Comeback, loopt buiten mijn zicht een moeder maar haar zoontje langs de winkel. "Kijk", zegt ze, "Elvis. Dat is de King of Pop." Zoontje corrigeert: "Dat is toch Michael Jackson?"
Aanstaande zondag is Elvis 32 jaar dood. De eigenaar van die winkel aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht is nog niet eens zo oud. Zondag zullen waarschijnlijk weer duizenden fans samenkomen bij Graceland. Jamai bedoelde het niet zo, praat collega-presentator Gordon recht. Natuurlijk houden mensen van The King Of Rock 'n Roll. Ik hoop dat vrijdag nog minder mensen naar het programma kijken. Deze week wel pas na de film, in plaats van op prime time.